Na het overlijden van de moeder op 24 augustus 2024 ontstond een gezagsvacuüm over de minderjarige geboren in 2007. De minderjarige verblijft momenteel bij de grootouders moederszijde. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht de kinderrechter om de gecertificeerde instelling voorlopige voogdij te geven en de tante moederszijde de reguliere voogdij toe te wijzen.
Tijdens de mondelinge behandeling handhaafde de Raad beide verzoeken, maar gaf de voorkeur aan de tante als voogd. De tante en de vader stemden hiermee in, waarbij de vader aangaf dat de tante beter in staat is de minderjarige te ondersteunen. Ook de grootouders onderschreven dit standpunt.
De kinderrechter oordeelde dat het in het belang van de minderjarige is de tante te belasten met de voogdij, mede omdat zij bereid is de minderjarige op te nemen in haar gezin en hem kan ondersteunen bij belangrijke zaken. Hierdoor was het niet langer dringend noodzakelijk om de gecertificeerde instelling voorlopige voogdij te geven.
De beschikking belast de tante met de voogdij, verklaart dit uitvoerbaar bij voorraad en wijst het overige verzoek af. Tevens wordt een aantekening gemaakt in het centraal gezagsregister. Hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.