ECLI:NL:RBROT:2024:11223
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beklag tegen beslag bankrekeningen wegens verdenking valsheid in geschrifte, witwassen en verzekeringsfraude
Op 2 november 2023 en 1 februari 2024 is conservatoir beslag gelegd op de bankrekeningen van klaagster en haar minderjarige dochter wegens verdenking van (medeplegen van) valsheid in geschrifte, witwassen en verzekeringsfraude. Klaagster betoogde dat het geld afkomstig was uit een legale uitkering in het kader van de kinderopvangtoeslagaffaire en dat het beslag disproportioneel was, omdat zij het geld nodig had voor haar bedrijf en het onwaarschijnlijk was dat zij veroordeeld zou worden tot ontneming of een geldboete.
De officier van justitie stelde zich tegen opheffing van het beslag en voerde aan dat het geld op de rekeningen gerelateerd is aan strafbare feiten, mede gezien een recente grote betaling voor een auto waarvan de aanschafwaarde de beschikbare gelden oversteeg. Dit voedt het vermoeden dat klaagster katvanger is geweest voor witwaspraktijken van haar zoon.
De rechtbank oordeelde dat het onderzoek in raadkamer summier is en dat er een gerechtvaardigde verdenking bestaat. Gezien de aard en omvang van de verdenkingen en het beslag acht de rechtbank het beslag niet buitenproportioneel. Het strafvorderlijk belang verzet zich tegen opheffing van het beslag. Het beklag wordt daarom ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beklag tegen het beslag op de bankrekeningen wordt ongegrond verklaard en het beslag blijft gehandhaafd.