ECLI:NL:RBROT:2024:11084
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verlenging proeftijd voorwaardelijke invrijheidstelling wegens onvoldoende noodzaak
De veroordeelde was eerder veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar door het Hof van Beroep Antwerpen. Na weigering van overlevering werd de straf in Nederland ten uitvoer gelegd. De veroordeelde werd voorwaardelijk in vrijheid gesteld met een proeftijd die reeds eenmaal was verlengd.
De officier van justitie vorderde een nieuwe verlenging van de proeftijd met 180 dagen, vanwege lopende praktische zaken zoals een WMO-aanvraag, bewindvoering, uitkering en zorgverzekering. De reclassering adviseerde verlenging om de resocialisatie te ondersteunen.
Tijdens de terechtzitting betoogde de verdediging dat de veroordeelde zich actief inzet, dat veel praktische zaken geregeld zijn en dat alleen de WMO-aanvraag nog openstaat. De veroordeelde kan tijdelijk bij zijn ouders wonen indien nodig.
De rechtbank oordeelde dat de vertraging in het begeleidingstraject niet aan de veroordeelde te wijten is, maar dat een nieuwe verlenging een te zwaar middel is. Gezien de stand van zaken en het verwachte tijdspad achtte de rechtbank verlenging niet noodzakelijk en wees de vordering af.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot verlenging van de proeftijd af omdat deze niet noodzakelijk en een te zwaar middel is.