ECLI:NL:RBROT:2024:11040

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
21 oktober 2024
Publicatiedatum
6 november 2024
Zaaknummer
C/10/685474 / JE RK 24-1948
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BW
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarigen wegens bedreigde ontwikkeling en hulpbehoefte

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond om de ondertoezichtstelling van twee minderjarigen te verlengen. De minderjarigen wonen bij hun moeder die het ouderlijk gezag heeft. De ondertoezichtstelling was reeds verlengd tot 7 november 2024 en de GI verzoekt nu om een verlenging van zes maanden.

De kinderrechter heeft de stukken bestudeerd en een mondelinge behandeling gehouden met gesloten deuren. De minderjarigen hebben geen mening gegeven. De GI licht toe dat de situatie moeizaam verloopt, met een lange wachtlijst voor GGZ-hulpverlening voor de oudste en een lopende strafzaak tegen de jongste wegens het vermoedelijk plaatsen van een explosief. De jongste is geschorst onder voorwaarden en er is nog geen jeugdreclasseerder beschikbaar.

De moeder stemt in met het verzoek en maakt zich zorgen over haar kinderen. De informant van Enver ondersteunt het verzoek en is betrokken bij de begeleiding. De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling zijn vervuld, gezien de ernstige bedreiging van de ontwikkeling van de minderjarigen en de noodzaak van voortgezet toezicht en begeleiding.

De ondertoezichtstelling wordt daarom verlengd tot 7 mei 2025 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarigen wordt verlengd tot 7 mei 2025 en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/685474 / JE RK 24-1948
Datum uitspraak: 21 oktober 2024
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum 1] 2007 in Sint Maarten, hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum 2] 2009 in Sint Maarten, hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam 1],
hierna te noemen de moeder, wonende in [plaatsnaam].
De kinderrechter merkt als informant aan:
[naam 2], werkzaam bij Enver,
hierna te noemen: de informant.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in haar beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 6 september, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum;
  • een briefrapportage van de GI van 15 oktober 2024, binnengekomen bij de rechtbank op 16 oktober 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2024. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
  • een vertegenwoordiger van de GI, [naam 3].
  • de informant.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 april 2024 de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 7 november 2024.

3.Het (gewijzigde) verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van drie maanden. De GI heeft het verzoek bij briefrapportage gewijzigd en verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van zes maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
3.2.
Ter zitting heeft de GI het gewijzigde verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. De afgelopen periode is moeizaam verlopen. Zo duurde het, buiten de schuld van de GI, de moeder en [minderjarige 1], lang om [minderjarige 1] aan te melden voor de GGZ-hulpverlening. Inmiddels staat [minderjarige 1] op de wachtlijst van zes à negen maanden en ter overbrugging is zij gestart met gesprekken bij de praktijkondersteuner van de huisarts. Verder zijn er ook zorgen over [minderjarige 2]. Hij wordt ervan verdacht dat hij een explosief heeft neergelegd bij een woning en deze strafzaak loopt nog. Hij is geschorst onder voorwaarden en houdt zich hier tot nu toe goed aan. Op dit moment is er nog geen vast contactpersoon beschikbaar bij de jeugdreclassering. Ook gaat [minderjarige 2] weer naar school. Binnenkort zal er bij [minderjarige 2] een diagnostisch onderzoek worden afgenomen. De GI wil het gehele traject volgen en hier is een verlenging van zes maanden voor nodig. Een overdracht naar het vrijwillig kader is op dit moment nog te vroeg. De komende periode wil de GI betrokken blijven om de hulpverlening voor [minderjarige 2] en [minderjarige 1] te begeleiden.

4.De standpunten

4.1.
Ter zitting heeft de moeder ingestemd met het (gewijzigde) verzoek van de GI. De moeder maakt zich zorgen over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en wil het beste voor haar kinderen. De moeder is dankbaar dat [minderjarige 2] zal worden onderzocht en mogelijk wordt behandeld bij de Plantage. Ook [minderjarige 1] heeft hulp nodig. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zien niet in wanneer zij iets doen dat verkeerd is.

5.De informant

5.1.
Vanuit Enver wordt SPAM ingezet bij de moeder in de thuissituatie. De begeleider komt langs bij de moeder thuis, op school en gaat mee naar behandelingsafspraken. Hij is het eens met de GI dat de ondertoezichtstelling moet worden verlengd.

6.De beoordeling

6.1.
Op basis van de stukken en de mondelinge behandeling is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW).
6.2.
Uit de overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog altijd ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd. Er zijn zorgen over de geestelijke gezondheid van [minderjarige 1] en er is sprake geweest van veel schoolverzuim. Verder zijn er zorgen over [minderjarige 2]. [minderjarige 2] wordt ervan verdacht dat hij samen met twee anderen een explosief naar een woning heeft gegooid, waardoor een explosie is ontstaan. [minderjarige 2] is geschorst onder voorwaarden, maar er is nog geen jeugdreclasseerder beschikbaar. De afgelopen periode is SPAM betrokken geweest en is nog steeds betrokken. De moeder ervaart een prettige samenwerking met de begeleider van SPAM. Verder is [minderjarige 1] aangemeld voor de GGZ-hulpverlening. Hiervan heeft de intake plaatsgevonden en zij staat momenteel op de wachtlijst. Ondertussen voert zij gesprekken met de praktijkondersteuner van de huisarts. [minderjarige 2] is aangemeld voor een diagnostisch onderzoek.
De komende periode is het van belang dat SPAM betrokken blijft, dat diagnostiek start voor [minderjarige 2] en voor [minderjarige 1] GGZ-hulpverlening. Daarnaast is het belangrijk dat de jeugdbeschermer [minderjarige 2] extra begeleidt, zolang er geen jeugdreclasseerder beschikbaar is. Met partijen is de kinderrechter van oordeel dat het te vroeg is voor een overdracht naar het vrijwillige kader. Het is in het belang van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] dat de jeugdbeschermer nog betrokken blijft om de hulpverlening te monitoren en eventueel bij te sturen.
6.3.
De kinderrechter zal daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen voor de duur van zes maanden, te weten tot 7 mei 2025 (artikel 1:260, eerste lid, BW).

7.De beslissing

De kinderrechter:
7.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 7 mei 2025;
7.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2024 door mr. A.L Pöll, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. K.F.G. van Leeuwen als griffier, en op schrift gesteld op 28 oktober 2024.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
  • door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.