De rechtbank Rotterdam heeft op 17 oktober 2024 een ontnemingsvonnis uitgesproken in een zaak tegen een veroordeelde die zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van witwassen. De ontnemingsvordering is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en betreft het vaststellen en ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De officier van justitie diende op 13 april 2023 de vordering in, gevolgd door een conclusie van eis op 21 juni 2023. De verdediging heeft geen conclusie van antwoord ingediend. Tijdens de terechtzitting op 3 oktober 2023, gelijktijdig met de strafzaak, zijn procesafspraken gemaakt waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €104.624,12 en de betalingsverplichting op €83.705,10, de waarde van het conservatoir beslag.
De rechtbank oordeelt dat de verdachte vrijwillig heeft ingestemd met de procesafspraken en zich bewust was van de rechtsgevolgen, ook met betrekking tot de afstand van verdedigingsrechten. De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel is voldoende onderbouwd en niet bestreden. De rechtbank acht de betalingsverplichting conform de procesafspraken niet onredelijk en legt deze vast op €83.705,10.
Er is geen aanleiding tot het opleggen van gijzeling omdat het beslag het volledige bedrag dekt. De beslissing is gegrond op artikel 36e Sr. De rechtbank bevestigt hiermee de balans tussen de belangen van de maatschappij en de verdachte.