Eiseres heeft compensatie gevraagd op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) voor de jaren 2011 tot en met 2016. De Dienst Toeslagen heeft dit verzoek afgewezen omdat eiseres in die periode geen kinderopvangtoeslag heeft aangevraagd en er geen voorschotten zijn toegekend, waardoor ook geen terugvorderingen konden plaatsvinden.
De rechtbank overweegt dat geen sprake is van institutionele vooringenomenheid of te harde toepassing van het wettelijk systeem in deze jaren, omdat er geen uitvoering is gegeven aan de toeslag. Ook het argument dat een gastouderbureau de toeslag zou hebben stopgezet, leidt niet tot een ander oordeel. Eiseres had zelf een aanvraag kunnen doen en had voldoende gelegenheid om navraag te doen over haar rechten.
Eerder was voor de jaren 2007 tot en met 2010 wel compensatie toegekend wegens institutionele vooringenomenheid en hardheidsregeling, maar dat recht strekt zich niet uit tot de latere jaren. Het verzoek om het volledige dossier over het gastouderbureau te overleggen wordt afgewezen, evenals andere stellingen over schending van bestuursbeginselen.
Het beroep wordt ongegrond verklaard, eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter R.J.P. Ferwerda op 30 oktober 2024.