ECLI:NL:RBROT:2024:10621

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
24 oktober 2024
Publicatiedatum
24 oktober 2024
Zaaknummer
11315754 VV EXPL 24-458
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 2 Besluit Gemeentelijke SchuldhulpverleningArt. 139 RvArt. 233 RvArt. 237 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot ontruiming en betaling huurachterstand wegens niet-betaling

Eiser vordert in kort geding de ontruiming van een woonruimte en betaling van achterstallige huurpenningen, gemeentelijke belastingen en buitengerechtelijke kosten van gedaagde, die niet is verschenen en niet heeft betaald sinds maart 2024.

De kantonrechter verleent verstek tegen gedaagde en stelt vast dat eiser een spoedeisend belang heeft vanwege dreigende executie door de bank. Ondanks dat eiser niet volledig heeft voldaan aan de verplichtingen uit het Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening, is aannemelijk dat gedaagde niet in staat is de huurachterstand in te lopen en de lopende huur te betalen.

Gedaagde heeft tijdens een telefoongesprek aangegeven financiële problemen te hebben en een andere woning te hebben gevonden, maar is zijn betalingsverplichtingen en toezeggingen niet nagekomen. Gezien het belang van eiser en de situatie van gedaagde, waaronder het verblijf van minderjarige kinderen, weegt het belang van eiser bij ontruiming zwaarder.

De gevorderde bedragen voor achterstallige huur, gemeentelijke belastingen en buitengerechtelijke kosten worden toegewezen, evenals de proceskosten. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, zodat het direct kan worden uitgevoerd.

Uitkomst: De kantonrechter veroordeelt gedaagde tot ontruiming van de woonruimte en betaling van achterstallige huur en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

zaaknummer: 11315754 VV EXPL 24-458
datum uitspraak: 24 oktober 2024
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaatsnaam 1],
eiser,
die aanvankelijk mr. C.A. Gobbens als gemachtigde had, maar thans zelf procedeert,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaatsnaam 2],
gedaagde,
die niet is verschenen.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
  • de dagvaarding van 9 oktober 2024, met 6 producties;
  • het overzicht beslagstukken van eiser, met 4 producties.
1.2.
Op 17 oktober 2024 is de zaak tijdens een zitting met eiser besproken. Gedaagde is niet verschenen.

2.De vordering

2.1.
Eiser vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
i. gedaagde te veroordelen om binnen 14 dagen na betekening van het vonnis, althans
per in goede justitie te bepalen termijn, de woonruimte gelegen aan [adres] te ontruimen en te verlaten met alle daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van eiser zijn en onder afgifte van alle sleutels en verdere bij het gehuurde behorende zaken blijvend ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen;
ii. gedaagde te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans per in redelijke justitie te bepalen datum, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan eiser te voldoen een bedrag van € 13.801,62, ter zake van achterstallige huurpenningen en bijdrage in gemeentelijke belastingen, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 Burgerlijk Pro Wetboek (BW) per datum dagvaarding, althans per in redelijke justitie te bepalen datum, steeds tot aan de dag van algehele voldoening;
iii. gedaagde te veroordelen om steeds uiterlijk op de eerste dag van de betreffende maand, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, wegens verschuldigde huurpenningen aan eiser te voldoen een bedrag van € 2.475,00 voor iedere maand, vanaf oktober 2024 tot en met de maand waarin de gehuurde woonruimte zal zijn ontruimd en opgeleverd, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro per eerste dag van iedere in te treden maand, althans per in redelijke justitie te bepalen datum, steeds tot aan de dag van algehele voldoening;
iv. gedaagde te veroordelen om binnen 7 dagen na betekening van het te wijzen vonnis, althans per in redelijke justitie te bepalen datum, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan eiser te voldoen een bedrag van € 913,02 ter zake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro per datum van het wijzen van vonnis, althans per in redelijke justitie te bepalen datum, steeds tot aan de dag van algehele voldoening;
althans subsidiair
v. (een) zodanige voorziening(en) te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren;
zowel primair als subsidiair
vi. gedaagde te veroordelen in de kosten van dit geding waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

3.De beoordeling

3.1.
Bij de dagvaarding zijn de bij de wet voorgeschreven formaliteiten in acht genomen, zodat tegen de niet verschenen gedaagde verstek wordt verleend.
3.2.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de eisende partij hierbij zoveel spoedeisend belang heeft dat die de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten (artikel 254 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). Dat spoedeisend belang is hier aanwezig. Eiser heeft gesteld dat hij schulden bij de bank heeft en dat de bank dreigt de woonruimte executoriaal te verkopen.
3.3.
Gedaagde huurt van eiser de woonruimte gelegen aan [adres]. Gezien de financieel slechte situatie waarin gedaagde verkeert, is eiser ingevolge artikel 2 Besluit Pro Gemeentelijke Schuldhulpverlening in beginsel verplicht om minimaal twee maanden vóór het uitbrengen van de dagvaarding de contactgegevens van gedaagde en de hoogte van de achterstand te verstrekken aan het college voor schuldhulpverlening. Dat is niet gebeurd. De toenmalig gemachtigde heeft gedaagde slechts gewezen op de mogelijkheid om zich aan te melden voor schuldhulpverlening en aangeboden om ter zake van de problematiek desgewenst een melding te doen. Dat is niet voldoende. Echter, in dit geval heeft eiser ter zitting voldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde niet in staat is de huurachterstand op korte termijn in te lopen en de lopende huur te betalen. Dat blijkt niet alleen uit het feit dat gedaagde sinds maart 2024 niets meer heeft betaald, maar ook uit de telefoonopname die eiser ter zitting heeft laten horen. Op die opname is te horen dat gedaagde aan eiser meedeelt dat hij financiële problemen heeft, maar dat hij bepaalde bedragen zal gaan betalen. Ook heeft gedaagde tijdens dat telefoongesprek verklaard dat hij inmiddels een andere woning heeft gevonden en dat hij tegen 1 november 2024 uit de woonruimte zal vertrekken. Eiser heeft gegronde redenen om te twijfelen dat gedaagde zich aan de toegezegde ontruiming gaat houden. Gedaagde is zijn toezegging om te betalen niet nagekomen. Bovendien heeft gedaagde eerder laten weten per 1 oktober 2024 uit de woonruimte te zullen vertrekken, maar heeft dat niet gedaan. Dit alles bij elkaar genomen, dient het belang van eiser bij ontruiming van de woonruimte zwaarder te wegen dan het belang van gedaagde bij behoud van de woning. Daarbij heeft de kantonrechter ook meegewogen het belang van twee minderjarige kinderen in de leeftijden van omstreeks 10 tot 12 jaar waarvan eiser desgevraagd ter zitting heeft medegedeeld dat zij met gedaagde en diens partner in de woning verblijven. Eiser heeft daarover verder medegedeeld dat hij gedaagde mede gelet op dat belang al veel eerder het aanbod heeft gedaan om het gezin een andere, aanzienlijk goedkopere woning te laten betrekken. Op dat aanbod wilde gedaagde niet ingaan. De kantonrechter gaat ervan uit dat gedaagde inmiddels, zoals hij zelf aan eiser heeft medegedeeld, per 1 november 2024 over andere woonruimte beschikt. Ook als dat niet het geval is, is het in de gegeven omstandigheden echter onacceptabel dat gedaagde de onderhavige woning blijft bewonen zonder de lopende huur zelfs maar gedeeltelijk te betalen als gevolg waarvan eiser steeds verder in financiële problemen raakt. De gevorderde ontruiming wordt dan ook toegewezen.
3.4.
Eiser heeft ter zitting de gevorderde geldbedragen aan huurachterstand, de gemeentelijke belastingen en de buitengerechtelijke kosten nader toegelicht. Deze vorderingen zijn niet onrechtmatig of ongegrond en worden daarom toegewezen (artikel 139 Rv Pro).
3.5.
Gedaagde is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten van eiser betalen (artikel 237 Rv Pro). Die proceskosten worden begroot op:
- dagvaarding € 136,72
- griffierecht € 706,00
- salaris gemachtigde € 543,00
- nakosten
€ 135,00
Totaal € 1.520,72
Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat eiser dat vordert (artikel 233 Rv Pro). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

4.De beslissing

De kantonrechter, rechtdoende in kort geding:
4.1.
verleent verstek tegen de niet verschenen gedaagde;
4.2.
veroordeelt gedaagde om, binnen 14 dagen na de betekening van dit vonnis, de woonruimte gelegen aan [adres] te ontruimen en te verlaten met alle daarin en/of daarop bevindende personen en/of zaken, voor zover deze laatste niet het eigendom van eiser zijn en onder afgifte van alle sleutels en verdere bij het gehuurde behorende zaken blijvend ter vrije en algehele beschikking van eiser te stellen;
4.3.
veroordeelt gedaagde om, binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te voldoen een bedrag van € 13.801,62 ter zake van achterstallige huurpenningen berekend tot en met september 2024 en bijdrage in gemeentelijke belastingen, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag van algehele voldoening;
4.4.
veroordeelt gedaagde om steeds uiterlijk op de eerste dag van de betreffende maand, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, wegens verschuldigde huurpenningen aan eiser te voldoen een bedrag van € 2.475,00 voor iedere maand, vanaf oktober 2024 tot en met de maand waarin de gehuurde woonruimte zal zijn ontruimd en opgeleverd, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro per eerste dag van iedere in te treden maand, steeds tot aan de dag van algehele voldoening;
4.5.
veroordeelt gedaagde om, binnen 7 dagen na de betekening van dit vonnis, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan eiser te voldoen een bedrag van € 913,02 ter zake van buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met wettelijke rente ex artikel 6:119 BW Pro over dat bedrag vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van algehele voldoening;
4.6.
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 1.520,72, te betalen binnen 14 dagen na aanschrijving daartoe; als het vonnis wordt betekend, moet gedaagde ook de kosten van betekening betalen;
4.7.
veroordeelt gedaagde in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen 14 dagen na aanschrijving zijn voldaan;
4.8.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. C. Bouwman. Het is ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. N. Doorduijn.
775 / 1729