De Raad voor de Kinderbescherming heeft een verzoek ingediend tot ondertoezichtstelling van een minderjarige geboren in 2014, vanwege ernstige zorgen over haar emotionele ontwikkeling en gedragsproblemen op school. De minderjarige woont bij haar moeder, die geen hulpverlening accepteert vanwege een belast verleden en gebrek aan vertrouwen in instanties. De ouders zijn gescheiden en de communicatie tussen hen verloopt moeizaam, waardoor de minderjarige in een loyaliteitsconflict verkeert.
Tijdens de mondelinge behandeling, die met gesloten deuren plaatsvond, heeft de kinderrechter de minderjarige gesproken en de ouders en betrokken instanties gehoord. De moeder erkent enkele incidenten, maar ontkent fysiek geweld, terwijl de vader het verzoek van de Raad ondersteunt en openstaat voor hulpverlening. De gecertificeerde instelling sluit zich aan bij de zorgen van de Raad.
De kinderrechter oordeelt dat aan de wettelijke criteria voor ondertoezichtstelling is voldaan. De moeder is onvoldoende bereid om hulp te accepteren en de vader onvoldoende in staat om de bedreigde ontwikkeling zelfstandig weg te nemen. Daarom wordt de minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van een jaar, met een gecertificeerde instelling als toezichthouder, die ook hulpverlening zal inzetten en de ouders zal begeleiden bij hun communicatie.
De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de minderjarige zal tot 22 augustus 2025 onder toezicht staan. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden na uitspraak.