Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2023:9694

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
1 september 2023
Publicatiedatum
19 oktober 2023
Zaaknummer
FT RK 22-78
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 FwArt. 15b FwArt. 285 FwArt. 349a FwBesluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing schuldsaneringsregeling na faillissement met postbezorgingsproblemen

Verzoeker diende op 17 april 2023 een verzoek in tot opheffing van zijn faillissement van 22 maart 2022 met gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank onderzocht eerst de ontvankelijkheid, waarbij werd vastgesteld dat verzoeker niet tijdig een verzoek tot schuldsanering had ingediend vanwege postbezorgingsproblemen en persoonlijke omstandigheden, waardoor dit niet aan hem kon worden toegerekend.

De rechtbank oordeelde dat er geen belemmeringen waren voor toelating tot de schuldsaneringsregeling, ondanks het feit dat verzoeker in een korte periode een onderneming dreef zonder goede administratie. Dit werd als een positieve wending beschouwd.

Verzoeker vroeg om verkorting van de looptijd van de regeling met een eerdere ingangsdatum, maar de rechtbank vond dit niet gerechtvaardigd omdat er geen boedelsaldo was en de faillissementskosten mede veroorzaakt werden door het ontbreken van administratie. Daarom werd de looptijd vastgesteld op achttien maanden vanaf 1 september 2023.

De rechtbank stelde het salaris van de curator en verschotten definitief vast en benoemde een rechter-commissaris en bewindvoerder voor de schuldsaneringsregeling. Tevens werd een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder toegekend en kreeg deze last tot het openen van aan schuldenaar gerichte post.

Uitkomst: Faillissement opgeheven en schuldsaneringsregeling toegepast met een looptijd van achttien maanden vanaf 1 september 2023.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
toepassing schuldsaneringsregeling na faillissement
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 1 september 2023
[verzoeker],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoeker,
curator: mr. R. van Dongen.

1.De procedure

Verzoeker heeft op 17 april 2023 een verzoekschrift ingediend tot opheffing van zijn op
22 maart 2022 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Ter zitting van 25 augustus 2023 zijn verschenen en gehoord:
  • [verzoeker], verzoeker;
  • mevrouw R.S.C. Buldeo Rai, begeleider en budgetbeheerder van verzoeker;
  • de heer mr. R. Van Dongen, curator.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid verzoek
Alvorens tot inhoudelijke behandeling van het verzoekschrift over te gaan, dient de vraag te worden beantwoord of verzoeker een beroep op artikel 15b, eerste lid van de Faillissementswet (hierna: Fw) toekomt. De voorwaarde die de wet in artikel 15b, eerste lid, Fw stelt, is dat, wanneer een verzoeker niet op eigen aangifte maar op rekest failliet is verklaard, wordt vastgesteld dat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de gefailleerde wegens hem toe te rekenen omstandigheden binnen de termijn als bedoeld in artikel 3, eerste lid, Fw geen verzoekschrift tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling heeft ingediend.
Ter zitting is gebleken dat verzoeker geen besef had van de optie en de noodzaak om hangende het verzoekschrift tot faillietverklaring een verzoek tot toelating tot de schuldsanering in te dienen. De oproepbrief van de rechtbank met deze uitleg heeft verzoeker niet ontvangen vanwege problemen met de postbezorging. Dat blijkt ook uit de stukken in het faillissementsdossier. Er speelde in die periode veel in het persoonlijke leven van verzoeker, waardoor hij ook niet bij de behandeling van het verzoekschrift aanwezig is geweest. Gelet op voornoemde oordeelt de rechtbank dat het destijds niet indienen van een verzoek tot toepassing schuldsaneringsregeling, verzoeker niet is toe te rekenen. Daarmee is voldaan aan de vereiste van artikel 15b lid 1 Fw).
De curator heeft voorts vastgesteld dat een akkoord binnen het faillissement niet tot de mogelijkheden behoort.
Verzoeker is daarom ontvankelijk in zijn verzoek.
Toelating tot de Wsnp
De rechtbank oordeelt dat er geen, althans onvoldoende, grond is gebleken voor afwijzing van het verzoek tot opheffing van het op 22 maart 2022 uitgesproken faillissement onder het gelijktijdig uitspreken van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank acht hierbij relevant dat verzoeker slechts kort een onderneming heeft gedreven en zich vrij snel heeft gerealiseerd dat hij niet op de goede weg was en beter kon stoppen. De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een wending ten goede zodat het feit dat verzoeker in de korte periode dat hij een onderneming dreef, geen goede administratie gevoerd, in dit geval geen belemmering is voor toelating tot de schuldsaneringsregeling.
De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen en het salaris van de curator en de verschotten vaststellen.
Duur Wsnp
Door verzoeker is – met verwijzing naar de per 1 juli 2023 ingetreden wetswijzigingen inzake de wettelijke schuldsaneringsregeling – verzocht om verkorting van de looptijd met één jaar. De rechtbank begrijpt dit als een verzoek om de ingangsdatum van de looptijd van de schuldsaneringsregeling vast te stellen op 1 september 2022.
Artikel 349a lid 1 Fw luidt per 1 juli 2023:
De termijn van de schuldsaneringsregeling bedraagt anderhalf jaar, te rekenen van de dag van de uitspraak tot de toepassing van de schuldsaneringsregeling, die dag daaronder begrepen, dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f, indien die dag eerder is gelegen. (…)
Een eerdere ingangsdatum is mogelijk bij correcte aflossing in de buitengerechtelijke schuldregeling.
De wetgever heeft zich niet uitgelaten over de vraag hoe moet worden aangekeken tegen aflossingen die geschieden gedurende de looptijd van een aan de schuldsaneringsregeling voorafgaand faillissement. Beide trajecten kunnen een buitengerechtelijke schuldregeling tot stand brengen en een verklaring van de curator dat er geen akkoord kan worden bereikt, kan worden gelijkgesteld met de verklaring van een schuldhulpverlener als bedoeld in artikel 285 lid Pro 1, aanhef en onder f, Fw. Het voorafgaande faillissement is anders dan het schuldhulpverleningstraject dat door de gemeente wordt uitgevoerd, echter niet slechts gericht op het treffen van een schuldregeling. De curator in het faillissement houdt zich bezig met het beheer en de vereffening van de vermogensbestanddelen van gefailleerde, en heeft ook nog andere wettelijke taken. De kosten van een faillissement zijn vaak ook aanmerkelijk hoger. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een factor die dient te worden betrokken bij de vraag of het gerechtvaardigd is dat de Wsnp na een voorafgaand faillissement wordt verkort (door het vaststellen van een eerdere ingangsdatum danwel verkorting van de looptijd).
In dit concrete geval heeft verzoeker weliswaar gedurende een periode van zestien maanden fulltime gewerkt en een bedrag van €10.989,54 afgedragen aan inkomen boven het vrij te laten bedrag; na uitkering van het salaris van de curator en de verschotten resteert een boedelsaldo van nihil. Concreet betekent dit dus, dat er niet gespaard is ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. De faillissementskosten houden in dit geval ook mede verband met het feit dat de werkzaamheden van de curator werden bemoeilijkt door het ontbreken van administratie. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank het niet gerechtvaardigd ten opzichte van de gezamenlijke schuldeisers dat de regeling bij voorbaat wordt verkort, danwel er een eerdere ingangsdatum wordt vastgesteld.
De rechtbank stelt daarom de ingangsdatum van de looptijd van de wettelijke regeling vast op de datum van dit vonnis.

3.De beslissing

De rechtbank:
- heft het faillissement van verzoeker op;
- stelt het salaris van de curator en de verschotten definitief vast op € 11.632,04 (exclusief de daarover verschuldigde omzetbelasting) en brengt dit bedrag ten laste van schuldenaar;
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoeker],geboren op [geboortedatum] te Curaҫao (Nederlandse Antillen),
wonende te [adres], [woonplaats],
[naam bedrijf]
Gevestigd te [adres], [woonplaats]
- stelt de termijn van de regeling vast op achttien maanden, te rekenen vanaf de datum van dit vonnis, waardoor deze termijn eindigt op 1 maart 2025;
- benoemt in de schuldsaneringsregeling van schuldenaar tot rechter-commissaris
mr. B.A. Cnossen;
- en stelt aan tot bewindvoerder B. van Huessen,
postadres: [postadres]
;
- kent toe, voor zover de boedel dit toelaat, een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder van een telkens aan het eind van de maand opeisbaar bedrag. Dit bedrag is gelijk aan 1/19e deel van de overeenkomstig artikel 2 van Pro het Besluit vergoeding bewindvoerder schuldsanering (Staatsblad 2013, 308) te berekenen vergoeding, verhoogd met de verschuldigde omzetbelasting;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan schuldenaar gerichte brieven en telegrammen.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.G.E. Prenger, rechter, en in aanwezigheid van
L.M. Heinis LLB, griffier, in het openbaar uitgesproken op 1 september 2023.