Verzoeker diende op 17 april 2023 een verzoek in tot opheffing van zijn faillissement van 22 maart 2022 met gelijktijdige toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank onderzocht eerst de ontvankelijkheid, waarbij werd vastgesteld dat verzoeker niet tijdig een verzoek tot schuldsanering had ingediend vanwege postbezorgingsproblemen en persoonlijke omstandigheden, waardoor dit niet aan hem kon worden toegerekend.
De rechtbank oordeelde dat er geen belemmeringen waren voor toelating tot de schuldsaneringsregeling, ondanks het feit dat verzoeker in een korte periode een onderneming dreef zonder goede administratie. Dit werd als een positieve wending beschouwd.
Verzoeker vroeg om verkorting van de looptijd van de regeling met een eerdere ingangsdatum, maar de rechtbank vond dit niet gerechtvaardigd omdat er geen boedelsaldo was en de faillissementskosten mede veroorzaakt werden door het ontbreken van administratie. Daarom werd de looptijd vastgesteld op achttien maanden vanaf 1 september 2023.
De rechtbank stelde het salaris van de curator en verschotten definitief vast en benoemde een rechter-commissaris en bewindvoerder voor de schuldsaneringsregeling. Tevens werd een voorschot op de vergoeding van de bewindvoerder toegekend en kreeg deze last tot het openen van aan schuldenaar gerichte post.