ECLI:NL:RBROT:2023:9266

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 september 2023
Publicatiedatum
5 oktober 2023
Zaaknummer
FT EA 23/784 en FT EA 23/785
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 285 FwArt. 287b Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening moratorium tegen ontruiming huurwoning

Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar huurwoning opschort. Haar schuldenproblematiek, waaronder een huurachterstand, was ontstaan door wisselend inkomen en een gokverslaving. Inmiddels heeft zij een dienstverband met een inkomen van circa €1.600 tot €1.700 per maand en heeft zij de huur van september 2023 voldaan.

Verweerster, de verhuurder, stelde dat de huurachterstand was verdubbeld en dat de ontruiming al driemaal was aangekondigd. De rechtbank oordeelde dat er sprake was van een bedreigende situatie vanwege de aangekondigde ontruiming en dat het belang van verzoekster, die met haar kind in de woning wil blijven en actief schuldhulpverlening volgt, zwaarder weegt dan het belang van verweerster.

De rechtbank stelde als voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan en verlengde de huurovereenkomst voor de duur van zes maanden. Tevens verklaarde zij verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling, met de mogelijkheid tot hernieuwd verzoek later.

Deze voorlopige voorziening biedt verzoekster een adempauze om haar schuldenproblematiek aan te pakken en haar woonruimte te behouden.

Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe en schort de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden op onder de voorwaarde dat de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer01] - [nummer02]
uitspraakdatum: 7 september 2023
[verzoekster01],
wonende te [adres01]
[postcode01] [woonplaats01] ,
verzoekster.

1.De procedure

Verzoekster heeft op 8 augustus 2023, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet Pro (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 8 augustus 2023 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 31 augustus 2023.
Ter zitting van 31 augustus 2023 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekster;
  • mevrouw [naam01] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
  • mevrouw [naam02] , begeleidster vanuit het Wijkteam;
  • mevrouw [naam03] , werkzaam bij Flanderijn & van Eck, namens Stichting Woonbron, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.

2.Het verzoek

Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 28 juni 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
Verzoekster heeft verklaard dat haar schuldenproblematiek, waaronder de huurachterstand, is ontstaan doordat zij een periode een wisselend inkomen had. Daarnaast heeft ze last gehad van een gokverslaving. Verzoekster wenst een oplossing voor haar (schulden)problematiek. Zij heeft daarom ondersteuning gezocht bij het wijkteam en heeft binnenkort een gesprek bij het Expertise Team Financiën. Daarnaast heeft zij zichzelf ingeschreven in het Centraal Register Uitsluiting Kansspelen. Verzoekster staat ook open voor beschermingsbewind. Ter zitting heeft verzoekster van de mogelijkheid gebruik gemaakt om beschermingsbewind via de versnelde route aan te vragen.
Verzoekster heeft daarnaast verklaard inmiddels inkomsten te hebben uit een dienstbetrekking. Zij verdient ongeveer € 1.600,00 á € 1.700,00 per maand. Met de huidige inkomsten is verzoekster in staat om de vaste lasten volledige en op tijd te betalen. Verzoekster heeft de huur van september 2023 voldaan.

3.Het verweer

Verweerster stelt zich op het standpunt dat het verzoek moet worden afgewezen. De huurachterstand is sinds de dagvaarding meer dan verdubbeld en de ontruiming is al drie keer aangezegd. Het wijkeam is bovendien al eerder in beeld geweest. Er zou een terugkoppeling over de voortgang van verzoekster worden gegeven. Deze is nooit gekomen. Verweerster heeft geen vertrouwen in een oplossing.

4.De beoordeling

Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 28 juni 2022 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 24 juli 2023 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 9 augustus 2023 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij, met haar kind, in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 28 juni 2022 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekster heeft de huur van september 2023 voldaan. Daarnaast heeft verzoekster inkomsten uit een dienstbetrekking. Verzoekster heeft daarmee voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te betalen. Verzoekster is bovendien bezig met de aanvraag van beschermingsbewind. Verzoekster heeft hulp gezocht bij verschillende instanties en positieve ontwikkelingen in gang gezet. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoekster zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweersterster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.

5.De beslissing

De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 28 juni 2022 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoekster gelegen aan de [adres01] te Rotterdam ( [postcode01] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 8 augustus 2023;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoekster de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Aukema, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 september 2023.