Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Kredietbank Rotterdam (hierna te noemen schuldhulpverlening).
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een verzoek ingediend tot gedwongen schuldregeling op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet, waarbij zij een akkoord aan haar schuldeisers heeft aangeboden. Dit akkoord voorzag in een gedeeltelijke betaling aan schuldeisers, gebaseerd op haar afloscapaciteit bij een 24-urige werkweek. Zeventien schuldeisers stemden in, maar één schuldeiser, Sore Group, stemde niet in en weigerde mee te werken.
De rechtbank heeft vastgesteld dat Sore Group een aanzienlijk aandeel heeft in de totale schuldenlast (31,85%) en dat zij in redelijkheid kon weigeren in te stemmen met het akkoord. Daarnaast bleek dat verzoekster een auto bezit die niet aan schuldeisers is gemeld, terwijl vermogensbestanddelen in een schuldsaneringstraject zoveel mogelijk moeten worden geliquideerd. De noodzaak tot behoud van de auto is onvoldoende onderbouwd.
Verder is onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verzoekster niet in staat is om meer dan 24 uur per week te werken, terwijl het akkoord uitgaat van een prognose die mogelijk te optimistisch is. De controle op nakoming van verplichtingen binnen het akkoord is onvoldoende gewaarborgd. Gezien deze omstandigheden weegt het belang van Sore Group zwaarder dan dat van verzoekster en overige schuldeisers.
De rechtbank wijst daarom het verzoek om Sore Group te bevelen in te stemmen met de schuldregeling af. De beslissing over het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling volgt in een aparte uitspraak.
Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende transparantie en onderbouwing.