ECLI:NL:RBROT:2023:7508

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 augustus 2023
Publicatiedatum
23 augustus 2023
Zaaknummer
C/10/654408 / HA ZA 23-261
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:303 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot beëindiging overlijdensrisicoverzekering na echtscheiding wegens gebrek aan voldoende belang

De man en vrouw zijn ex-echtgenoten die zijn gescheiden met een convenant waarin onder meer afspraken zijn gemaakt over de woning en alimentatie. De vrouw sloot een overlijdensrisicoverzekering (ORV) af op het leven van de man om de hypothecaire geldlening te kunnen verkrijgen voor de woning.

De man vordert dat de vrouw wordt verplicht mee te werken aan het beëindigen van de ORV, stellende dat hij destijds onder dwaling medewerking verleende en dat voortzetting onrechtmatig is. De vrouw verzet zich en stelt dat de man geen voldoende belang heeft bij de vordering.

De rechtbank oordeelt dat de man slechts een emotioneel belang heeft, wat volgens vaste rechtspraak niet voldoende is voor een rechtsvordering. De vrouw heeft een zwaarwegend financieel belang bij voortzetting van de ORV vanwege haar ziekte en afhankelijkheid van de woning. Het beroep op dwaling faalt omdat de man wist waarom de ORV nodig was en de situatie kende. Ook het beroep op onrechtmatige daad wordt verworpen.

De rechtbank wijst de vordering van de man af en veroordeelt hem in de proceskosten van de vrouw.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering van de man af wegens gebrek aan voldoende belang en veroordeelt hem in de proceskosten van de vrouw.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/654408 / HA ZA 23-261
Vonnis van 9 augustus 2023 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats 1],
eiser,
advocaat mr. C.E. Koopmans te Oud-Beijerland,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats 2],
gedaagde,
advocaat mr. H.D. van den Berg te Dordrecht.
Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1..De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 1 maart 2023 met producties 1 tot en met 4;
  • de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 12;
  • de oproepingsbrief van de rechtbank van 19 mei 2023;
  • de mondelinge behandeling gehouden op 20 juli 2023, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Partijen hebben vonnis gevraagd na afloop van de mondelinge behandeling. Het vonnis is bepaald op heden.

2..De feiten

2.1.
Partijen zijn ex-echtgenoten. De echtscheiding is uitgesproken op 28 januari 2022 bij beschikking van de rechtbank Rotterdam. In deze beschikking is het door partijen ondertekende echtscheidingsconvenant (hierna: het convenant) opgenomen. De echtscheiding is op 19 mei 2022 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
Tot de huwelijksgemeenschap behoorde de gezamenlijke woning (hierna: de woning). Partijen zijn in het convenant overeengekomen dat deze wordt toegedeeld aan de vrouw onder de voorwaarde dat de man uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire schuld wordt ontslagen.
2.3.
De vrouw, geboren in [jaartal], is chronisch ziek en was ten tijde van de echtscheiding al volledig afgekeurd. Zij ontving destijds en ontvangt nog altijd een WAO-uitkering.
2.4.
In het convenant zijn partijen onder meer overeengekomen dat de man alimentatie aan de vrouw verschuldigd is totdat zij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt met een maximum van twaalf jaar vanaf de datum van de echtscheidingsbeschikking, behoudens in geval van samenleven, hertrouwen of geregistreerd partnerschap van de vrouw met een nieuwe partner.
2.5.
Op 28 juli 2022 heeft de man op verzoek van de vrouw een vragenlijst over zijn gezondheid ingevuld en ondertekend vanwege een overlijdensrisicoverzekering (hierna: ORV) die de vrouw op het leven van de man wilde afsluiten.
2.6.
Op dinsdag 2 augustus 2022 heeft de medische dienst van Centraal Beheer aan de man bevestigd dat hij aan Centraal Beheer adviseert dat de man verzekerd kan worden.
2.7.
De vrouw heeft van Centraal Beheer de polis ontvangen waarin onder meer staat vermeld:
- de ORV start op 2 augustus 2022 en stopt op 1 augustus 2036;
- de vrouw is verzekeringnemer;
- de man is verzekerde;
- het verzekerd bedrag is € 150.000,00; dit bedrag wordt in één keer uitbetaald als de verzekerde (de man) vóór 1 augustus 2036 overlijdt, daarna stopt de verzekering;
- de maandpremie bedraagt € 44,54; de verzekeringnemer betaalt deze vanaf 2 augustus 2022;
- de eerste begunstigde is de verzekeringnemer (de vrouw).
2.8.
Op 5 augustus 2022 verkreeg de vrouw een offerte van Aegon voor een hypothecaire geldlening, die zij heeft ondertekend. Met de hypothecaire geldlening bij Aegon heeft de vrouw de uitkoopsom aan de man voldaan en is de gezamenlijke hypothecaire schuld van partijen afgelost en aldus het ontslag uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de man voor die schuld gerealiseerd. De woning is vervolgens op naam van de vrouw gezet.

3..Het geschil

3.1.
De man vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. De vrouw te verplichten haar medewerking te verlenen aan het opzeggen c.q. beëindigen van de ORV zoals afgesloten op het leven van de man, waarbij de vrouw aan de man een dwangsom verbeurt van € 250,00 per dag dat de vrouw, na betekening van het in deze te wijzen vonnis, in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, met een maximum van
€ 10.000,00, althans op verbeurte van een dwangsom en tot een maximum door uw rechtbank in goede justitie te bepalen;
II. De vrouw te veroordelen in de kosten van dit geding waaronder mede te verstaan de verschuldigde griffierechten, deurwaarderskosten en (na)salaris advocaat.
3.2.
De vrouw voert verweer en concludeert de man bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, niet-ontvankelijk te verklaren, althans de vordering af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.
3.3.
Op de stellingen en weren wordt, voor zover nodig, in het navolgende ingegaan.

4..De beoordeling

4.1.
De man voert aan dat hij destijds meende zijn medewerking te moeten verlenen aan het afsluiten van de ORV, zodat de vrouw financiering kon verkrijgen om de woning over te nemen. Naderhand vertelde de vrouw dat zij niet bij BLG Wonen, de hypotheekbank die de ORV als voorwaarde had gesteld, maar bij Aegon haar hypothecaire geldlening heeft afgesloten, terwijl Aegon de ORV niet als voorwaarde had gesteld. De man heeft toen de vrouw verzocht de ORV te beëindigen maar dat heeft de vrouw geweigerd. De man beroept zich in dit verband op dwaling, omdat de vrouw hem heeft meegedeeld dat de ORV noodzakelijk was, althans hem naderhand niet heeft meegedeeld dat de ORV niet (meer) noodzakelijk was om haar in staat te stellen de financiering rond te krijgen.
4.2.
De vrouw voert aan dat de man geen rechtens te respecteren belang bij zijn vordering heeft en dat de vordering, gelet op het bepaalde in art. 3:303 BW Pro, daarom moet worden afgewezen.
4.3.
In art. 3:303 BW Pro wordt bepaald dat zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. De ratio van dit voorschrift is gelegen in een doelmatige aanwending van de beperkte middelen die de samenleving beschikbaar stelt voor de rechtspleging, terwijl voorts is gelet op het belang van een gedaagde om niet in rechte te worden betrokken voor een vordering die bij toewijzing daarvan voor de positie van eiser niet of nauwelijks verschil maakt.
4.4.
Het verweer slaagt. De man heeft ter zitting, daarnaar gevraagd, aangegeven uitsluitend een emotioneel belang te hebben bij de beëindiging door de vrouw van de ORV die hij vordert. Hij vindt het geen fijn idee dat als hij overlijdt de vrouw geld krijgt. Dit is niet een voldoende belang als bedoeld in art. 3:303 BW Pro. De rechtbank heeft hierbij gelet op het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 1998 (NJ 1998, 853), waarin is geoordeeld dat een zuiver emotioneel belang, hoe zwaarwegend ook, niet kan worden aangemerkt als voldoende belang als bedoeld in art. 3:303 BW Pro. Namens de man is een beroep gedaan op het arrest van de Hoge Raad van 30 oktober 1987 (NJ 1988, 277), maar in dat arrest is nu juist geoordeeld dat het enkele feit dat X naakt is afgebeeld een redelijk belang oplevert dat zich tegen openbaarmaking verzet, omdat het om een ernstige aantasting in de persoon gaat. Van zo’n aantasting in de persoon is in casu niet gebleken. De man ondervindt ook geen financieel of administratief nadeel van de voortzetting van de ORV. De vrouw betaalt de premies en is de verzekeringnemer. Daarbij komt het volgende. De ORV is aangegaan als compensatie voor het wegvallen van de alimentatie-inkomsten van de vrouw als de man komt te overlijden. De vrouw heeft daarom zelf wél een groot belang bij (voorzetting van) de ORV. Zij heeft dat aldus toegelicht dat zij vanwege haar ziekte heel graag wil kunnen blijven wonen in de woning (aangepast met traplift, ligging dichtbij het ziekenhuis, veilige buurt), maar dat zij de woning om financiële redenen zal moeten verkopen als de man komt te overlijden en er geen verzekering is die dan de verzekerde som uitkeert.
4.5.
De man beroept zich erop dat hij heeft gedwaald toen hij meewerkte aan de ORV, maar de man wist destijds waarom de ORV nodig was, want dat had de vrouw hem verteld. De man wist dat de hypotheekaanvraag van de vrouw een maatwerksituatie was. De man wist ook, toen de vrouw hem vroeg mee te werken aan de ORV, dat zij dat deed omdat BLG Wonen als voorwaarde stelde
voorafgaand aan beoordeling van de hypotheekaanvraagdat de vrouw een ORV zou afsluiten voor een minimaal verzekerd bedrag van € 135.000,00 op het leven van de man, en dat de Aegon die voorwaarde niet had gesteld. Er was op dat moment nog geen enkele offerte. Van BLG Wonen had de vrouw alleen nog maar een renteaanbod ontvangen en ondertekend. Toen de vrouw de medewerking van de man aan de ORV vroeg, wisten partijen dus nog niet óf Aegon en BLG Wonen met een offerte zouden komen. De man wist verder dat Aegon en BLG Wonen haar enige kans waren: de enige twee geldverstrekkers die überhaupt de situatie van de vrouw wilden beoordelen. Andere geldverstrekkers waren daartoe niet bereid gebleken. De offerte van Aegon kwam pas enkele dagen ná het afsluiten van de ORV. De vrouw heeft die offerte van Aegon op advies van haar hypotheekadviseur geaccepteerd vanwege haar maatwerksituatie. Voor het direct weer beëindigen van de ORV toen de vrouw voor Aegon had ‘gekozen’ was geen enkele aanleiding. De vrouw had immers ook een zelfstandig belang bij (de voortzetting van) de ORV. Dat zelfstandig belang van de vrouw kende de man ook.
4.6.
Vernietiging op grond van dwaling zou ook niet leiden tot het rechtsgevolg dat de man wenst. De overeenkomst tussen de man en de vrouw, dat de man mee zou werken aan het aangaan van een ORV, is reeds uitgevoerd. Waarom vernietiging thans van deze overeenkomst op grond van dwaling tot gevolg zou kunnen hebben dat de vrouw de ORV bij Centraal Beheer zou moeten beëindigen (zoals de man vordert) heeft de man niet uitgelegd in de dagvaarding. Ter zitting is namens de man hierover desgevraagd verklaard dat de man het zeer onrechtmatig acht dat de vrouw de situatie laat voortbestaan. Ook deze grondslag (onrechtmatige daad) faalt. De vrouw heeft, zoals hiervoor al uiteengezet, een rechtens te respecteren belang bij voortzetting van de ORV gedurende de looptijd van deze verzekering, en de man heeft geen rechtens te respecteren belang bij beëindiging van deze verzekering. De vrouw handelde niet onrechtmatig toen zij, nadat de man daaraan had meegewerkt, de verzekering op het leven van de man afsloot, en zij doet dat evenmin door die verzekering niet te beëindigen.
4.7.
De rechtbank zal de man in de kosten van de vrouw veroordelen nu de vordering van de man wordt afgewezen en de man in de dagvaarding enerzijds wél het verweer van de vrouw heeft weergegeven, inhoudend dat hij geen belang heeft bij zijn vordering, maar anderzijds daarop in de dagvaarding geen reactie heeft gegeven. Hoewel zijn vordering als bepaald niet kansrijk moet worden aangemerkt, is dat niet voldoende om de man in de werkelijke proceskosten van de vrouw te veroordelen. Dat heeft de vrouw ook niet gevorderd.
4.8.
De kosten aan de zijde van de vrouw worden begroot op:
- griffierecht € 314,00
- salaris advocaat €
3.760,00(2 punten × tarief € 1.880,00)
Totaal € 4.074,00

5..De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen af;
5.2.
veroordeelt de man in de proceskosten, aan de zijde van de vrouw tot op heden begroot op € 4.074,00; verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. de Geus en in het openbaar uitgesproken op
9 augustus 2023.
3726 / 638