Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- de heer mr. J. Verheij, advocaat van verzoekster, werkzaam bij JAW Advocaten.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft een voorlopige voorziening gevraagd op grond van artikel 287b Faillissementswet om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten en de huurovereenkomst te verlengen. De ontruiming was bevolen in een vonnis van 9 december 2020. Verzoekster werkt als ZZP’er in de zorg en heeft een inkomen tussen €3.000 en €3.500 per maand, waarmee zij de huur van €1.175 kan voldoen. Zij is in gesprek met schuldhulpverlening.
Verweerster betwist de ontvankelijkheid van het verzoek omdat het minnelijk traject niet was gestart en stelt dat het verzoek misbruik van recht is. De rechtbank oordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie door de aangekondigde ontruiming en dat het belang van verzoekster om in de woning te blijven en schuldhulp te krijgen zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe voor zes maanden, onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, omdat het minnelijk traject niet is doorlopen. Verzoekster kan later een nieuw verzoek indienen.
De voorziening wordt toegekend met de verplichting dat de schuldhulpverlener uiterlijk twee weken voor afloop van de voorziening verslag uitbrengt. De huurovereenkomst wordt verlengd voor de duur van de voorziening.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming opschort en de huurovereenkomst verlengt voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige betaling.