Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekers;
- mr. A. El Ouath, (waarnemend) advocaat van verzoekers.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van hun huurwoning opschort. Dit verzoek is gedaan vanwege hun financiële en medische situatie, waarbij zij een WIA-uitkering en aanvullende Participatiewet-uitkering ontvangen en beschermingsbewind is aangevraagd.
De rechtbank beoordeelt dat er sprake is van een bedreigende situatie omdat een ontruimingsvonnis van 17 augustus 2021 ten uitvoer dreigt te worden gelegd. Verweerster verzet zich niet tegen het verzoek, mits de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan. De rechtbank weegt het belang van verzoekers om in de woning te kunnen blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren.
De rechtbank stelt vast dat de huurbetalingen sinds februari 2023 zijn voldaan, ondanks een krap budget en beslagleggingen. Beschermingsbewind is aangevraagd en zal naar verwachting spoedig worden uitgesproken, zodat het minnelijk traject kan worden afgerond. Daarom wordt de voorlopige voorziening voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde van tijdige betaling van de lopende termijnen.
Daarnaast verklaart de rechtbank verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Faillissementswet, omdat het minnelijk traject naar verwachting niet snel zal zijn afgerond. Verzoekers kunnen later een nieuw verzoek indienen.
De uitspraak bevat tevens de verplichting dat de schuldhulpverlener uiterlijk twee weken voor het einde van de voorziening verslag uitbrengt aan de rechtbank.
Uitkomst: De rechtbank schorst de ontruiming en verlengt de huurovereenkomst voor zes maanden onder voorwaarde van tijdige huurbetaling.