Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2023:6384

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
9 juni 2023
Publicatiedatum
19 juli 2023
Zaaknummer
99/000361-51
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 Wet op de identificatieplicht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging proeftijd voorwaardelijke invrijheidstelling wegens niet gevolgde gedragsinterventie

De veroordeelde werd bij vonnis van 12 augustus 2020 veroordeeld tot een gevangenisstraf van 30 maanden, waarvan hij op 21 oktober 2021 voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld met een proeftijd van 365 dagen. Tijdens deze proeftijd moest hij onder meer deelnemen aan een gedragsinterventie gericht op cognitieve vaardigheden (CoVa-training).

Vanwege een periode van detentie in België kon de veroordeelde deze training niet volgen. De officier van justitie verzocht daarom op 22 mei 2023 om verlenging van de proeftijd. De reclassering bevestigde de noodzaak van de training, omdat de veroordeelde nog steeds moeite heeft met assertiviteit en het aangeven van grenzen, wat risico's met zich meebrengt.

Tijdens de terechtzitting van 9 juni 2023 werden de veroordeelde, zijn raadsman, de officier van justitie en een reclasseringswerker gehoord. De raadsman betwistte de noodzaak van verlenging, stellende dat de veroordeelde inmiddels in een werkveld zit waar hij andere trainingen kan volgen.

De rechtbank oordeelde echter dat de noodzaak voor de CoVa-training onverminderd bestaat en verlengde de proeftijd met 365 dagen. Hiermee wordt de kans vergroot dat de veroordeelde de gedragsinterventie alsnog kan afronden en recidive wordt beperkt.

Uitkomst: De rechtbank verlengt de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling met één jaar wegens het niet kunnen volgen van de verplichte gedragsinterventie.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
VI-zaaknummer: 99/000361-51
Datum uitspraak: 9 juni 2023
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam in de zaak betreffende de veroordeelde
[naam veroordeelde],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres],
raadsman mr. C. Crince Le Roy, advocaat te Amsterdam.

1..Procesverloop

1.1.
Voorgaande veroordeling
Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2020 is aan de veroordeelde een gevangenisstraf van 30 maanden met aftrek van voorarrest opgelegd.
1.2.
Voorwaardelijke invrijheidstelling
Op 21 oktober 2021 is de veroordeelde voorwaardelijk in vrijheid gesteld. Hieraan zijn voor zover hier van belang de volgende voorwaarden verbonden:
algemene voorwaarden
  • de veroordeelde zal zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maken aan enig strafbaar feit;
  • de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 op Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
  • de veroordeelde zal medewerking verlenen aan het reclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;
bijzondere voorwaarden
  • de veroordeelde zal zich melden bij Reclassering Nederland te Amsterdam, zolang en zo vaak als de reclassering dit noodzakelijk acht;
  • de veroordeelde zal deelnemen aan een gedragsinterventie (cognitieve vaardigheidstraining) en zich houden aan de aanwijzingen zoals die gedurende deze gedragsinterventie aan hem worden gegeven door de instelling die de gedragsinterventie verzorgt;
  • de veroordeelde zal meewerken aan en een actieve inspanning verrichten voor (een traject gericht op) het verkrijgen en het behouden van woonruimte en een structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding. Hij zal daarnaast openheid van zaken tonen ten aanzien van zijn financiële situatie en meewerken aan het aflossen van schulden en het treffen van betalingsregelingen.
De proeftijd vanaf de hierboven genoemde dag van voorwaardelijke invrijheidstelling bedraagt 365 dagen.
1.3.
Vordering
Op 22 mei 2023 heeft de officier van justitie een vordering ingediend tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de opgelegde gevangenisstraf. Hieraan ligt ten grondslag dat de veroordeelde tijdens zijn proeftijd de gedragsinterventie cognitieve vaardigheden (hierna: CoVa-training) nog niet heeft kunnen volgen wegens detentie. Deze training wordt nog steeds noodzakelijk geacht.
Bij de vordering is overgelegd het verlengingsadvies voorwaardelijke invrijheidstelling d.d. 12 mei 2023 van Reclassering Nederland (hierna ook: de reclassering).
1.4.
Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 9 juni 2023.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting zijn de veroordeelde, zijn raadsman en de officier van justitie mr. J. Spaans gehoord. Voorts is als deskundige gehoord [naam], reclasseringswerker bij de reclassering.

2..Beoordeling

2.1.
Bevoegdheid
De rechtbank is bevoegd kennis te nemen van de vordering omdat de meervoudige kamer van deze rechtbank in eerste aanleg heeft kennisgenomen van het strafbare feit ter zake waarvan de straf is opgelegd waarvoor aan de veroordeelde voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend en waarvan nu de verlenging van de proeftijd wordt gevorderd.
2.2.
Ontvankelijkheid
De laatste dag van de proeftijd is 24 juli 2023, rekening houdend met de omstandigheid dat de proeftijd is onderbroken gedurende de tijd dat de veroordeelde gedetineerd heeft gezeten voor een ander feit.
Deze beslissing wordt genomen voor het einde van de proeftijd. Het openbaar ministerie is daarom ontvankelijk in de vordering.
2.3.
De standpunten
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot verlenging van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
De raadsman heeft verzocht de vordering af te wijzen. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de enige reden tot verlenging is dat de veroordeelde een CoVa-training zou moeten volgen. De veroordeelde ziet daar de noodzaak niet voor. Hij weet wat goed en fout is. Ook zit hij nu in een normaal werkveld en kan hij via zijn huidige baan verschillende trainingen volgen.
2.4.
Inhoudelijke beoordeling
Het rapport van de reclassering houdt in dat de veroordeelde tijdens de proeftijd gedurende ongeveer 10 maanden (preventief) gedetineerd heeft gezeten in België. Als gevolg daarvan is hij pas kortgeleden aangemeld voor de CoVa-training en is het niet haalbaar om de training af te ronden voor het einde van de proeftijd.
Ter terechtzitting heeft de deskundige toegelicht dat de training nog steeds van groot belang wordt geacht voor de veroordeelde. Hij heeft er baat bij om te leren zich assertiever op te stellen en ‘nee’ te zeggen. Ook tijdens de proeftijd zijn er signalen dat dit hem nog niet lukt, waardoor hij in de problemen komt, zoals de verdenking die in België speelt.
De rechtbank is op grond van de inhoud van het advies van de reclassering en het onderzoek ter terechtzitting van oordeel dat de proeftijd dient te worden verlengd met 365 dagen. De noodzaak voor de CoVa-training om risico's te beperken, die gezien werd bij het verlenen van de voorlopige invrijheidsstelling, bestaat nog steeds. Niet is gebleken dat de situatie nu anders is.

3..Beslissing

De rechtbank
wijst de vordering toeen verlengt de proeftijd met 365 dagen.
Deze beslissing is genomen door mr. P.E. van Althuis, voorzitter,
en mrs. F. Wegman en L.R. Bhalla, rechters,
in tegenwoordigheid van mrs. J.M. Grubben en C.J. Voogel-van Buuren, griffiers,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 9 juni 2023.