Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoekster;
- mevrouw [naam01] en de heer [naam02] , beiden werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening)
- mevrouw [naam03] , werkzaam bij het wijkteam van de gemeente Rotterdam.
Rechtbank Rotterdam
Verzoekster heeft op grond van artikel 287b Faillissementswet een voorlopige voorziening gevraagd om de ontruiming van haar huurwoning op te schorten. De rechtbank heeft vastgesteld dat sprake is van een bedreigende situatie, aangezien een vonnis tot ontruiming is uitgesproken en de ontruiming gepland staat.
Verzoekster maakt gebruik van budgetbeheer en heeft aangetoond dat de huurtermijnen van april en mei 2023 zijn voldaan. Haar inkomen is recent gestegen naar ongeveer €1.000 per maand, waarmee zij de huur van €354,90 kan betalen. Tevens is een aanvraag voor aanvullende bijstand ingediend. Verweerster, de verhuurder, is niet verschenen en heeft geen verweer gevoerd.
De rechtbank weegt het belang van verzoekster om in haar woning te kunnen blijven en het schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De voorlopige voorziening wordt daarom voor zes maanden toegewezen onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening toe die de ontruiming van de huurwoning voor zes maanden opschort onder de voorwaarde dat de huurtermijnen tijdig worden voldaan.