ECLI:NL:RBROT:2023:4847
Rechtbank Rotterdam
- Proces-verbaal
- Rechtspraak.nl
Vordering tot betaling restant overnamesom na beëindiging vennootschap onder firma
In deze zaak vordert eiser betaling van het resterende bedrag van de overnamesom na beëindiging van de vennootschap onder firma (VOF) die partijen in 1997 samen hadden opgericht. De samenwerking werd in 2019 beëindigd waarbij gedaagde de onderneming overnam tegen een overeengekomen som van €103.000. Gedaagde had reeds €70.000 betaald, maar liet het restant van €33.000 onbetaald.
Eiser vordert betaling van €15.197,82 na verrekening van teveel betaalde bedragen en andere posten. Gedaagde voert verweer dat hij het restant heeft voldaan door betalingen ten behoeve van eiser en door opnames van contant geld door eiser zelf, en stelt dat sprake is van verrekening.
De rechtbank oordeelt dat het verweer van gedaagde als een beroep op verrekening moet worden gekwalificeerd, maar dat niet is aangetoond dat deze verrekening toelaatbaar is. Daarom wijst de rechtbank het verweer af en veroordeelt gedaagde tot betaling van het gevorderde bedrag met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen wegens niet voldoen aan de wettelijke voorwaarden. Gedaagde wordt tevens veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €15.197,82 met wettelijke rente en proceskosten.