De rechtbank Rotterdam sprak de verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit van het opzettelijk binnenbrengen van 150 kilogram cocaïne in Nederland, omdat dit niet wettig en overtuigend was bewezen.
Wel werd de verdachte veroordeeld voor het subsidiair ten laste gelegde voorbereiden en bevorderen van de invoer van cocaïne en het wederrechtelijk verblijven op een besloten empty-depot-terrein in de Rotterdamse haven. De verdachte had voorwerpen zoals een organisatietelefoon, sporttassen, een GPS-tracker, een koevoet en schroevendraaiers bij zich om de container met cocaïne te openen.
De rechtbank oordeelde dat de rol van de verdachte als uithaler essentieel was in de georganiseerde invoer van harddrugs, ondanks dat deze minder groot is dan die van de organisatoren. Gezien de ernst van de feiten, eerdere veroordelingen van de verdachte en zijn openheid tijdens de zitting, legde de rechtbank een gevangenisstraf van 22 maanden op, met aftrek van voorarrest.
De rechtbank benadrukte de maatschappelijke impact van de handel in cocaïne, waaronder de bedreiging van de volksgezondheid en de ondermijning van de rechtsorde. De opgelegde straf weerspiegelt de ernst van de betrokkenheid van de verdachte bij deze criminele activiteiten.