ECLI:NL:RBROT:2023:3596

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
2 maart 2023
Publicatiedatum
26 april 2023
Zaaknummer
C/10/651361 / JE RK 23-137
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:255 BWArt. 1:260 BWArtikel 12 Wet beëdigde tolken en vertalers
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige wegens ernstige ontwikkelingsbedreiging

De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond verzocht de rechtbank om de ondertoezichtstelling van een minderjarige te verlengen wegens ernstige zorgen over haar ontwikkeling en opvoedsituatie. De minderjarige verblijft met haar moeder in een opvang van het Leger des Heils. De moeder kampt met sombere periodes en beperkte draagkracht, waardoor zij niet altijd kan voorzien in de opvoedbehoeften van haar kind. De school uitte zorgen over de leerprestaties en het feit dat de minderjarige wordt belast met volwassenproblematiek.

Tijdens de mondelinge behandeling, waarbij een beëdigde Poolse tolk aanwezig was, werden de standpunten van de moeder, de bijzondere curator en de gecertificeerde instelling besproken. De moeder ontkende depressieve periodes en twijfelde aan de noodzaak van verlenging. De bijzondere curator steunde het verzoek tot verlenging vanwege blijvende zorgen over de schoolgang en opvoeding.

De kinderrechter oordeelde dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling, zoals genoemd in artikel 1:255 BW Pro, zijn vervuld. Het is noodzakelijk dat de gecertificeerde instelling langer betrokken blijft om de moeder te begeleiden en de draagkracht te vergroten. De ondertoezichtstelling wordt verlengd voor negen maanden tot 5 december 2023, met het oog op het vinden van een geschikte woonplek en het waarborgen van de ontwikkeling van de minderjarige.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige wordt verlengd tot 5 december 2023 vanwege ernstige ontwikkelingsbedreiging en beperkte draagkracht van de moeder.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/651361 / JE RK 23-137
Datum uitspraak: 2 maart 2023

Beschikking van de kinderrechter over verlenging ondertoezichtstelling

in de zaak van

de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
betreffende

[minderjarige] ,

geboren op [geboortedatum minderjarige] 2010 te [geboorteplaats minderjarige] (Polen), hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[moeder] ,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres, hierna te noemen: de moeder,

mr. V. VOS,

gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de bijzondere curator.

Het procesverloop

Het verloop van de procedure blijkt uit het verzoek met bijlagen van de GI van 19 januari 2023, ingekomen bij de griffie op 20 januari 2023.
Op 2 maart 2023 heeft de kinderrechter de zaak tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren behandeld.
Verschenen zijn:
- [voornaam minderjarige] , die voorafgaand aan de zitting is gehoord;
- de moeder;
- de bijzondere curator;
- [persoon A] en [persoon B] namens de GI.
Aangezien de moeder de Nederlandse taal niet of onvoldoende machtig is, maar wel de Poolse taal, heeft de kinderrechter het verhoor doen plaatsvinden met telefonisch bijstand van K. Hering, tolk in de Poolse taal. De kinderrechter heeft vastgesteld dat de tolk is beëdigd overeenkomstig het bepaalde in artikel 12 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers.

De feiten

De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
[voornaam minderjarige] verblijft met haar moeder in een opvang van het Leger des Heils (het LdH).
De kinderrechter heeft bij beschikking van 18 februari 2022 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 5 maart 2023.

Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van negen maanden, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De GI handhaaft het verzoek tijdens de mondelinge behandeling en licht het als volgt toe. Er zijn nog grote zorgen over de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] . Zij verblijft met de moeder in de gezinsopvang van het LdH. De moeder had moeite met betrokkenheid van de GI en zij is wisselend in haar vertrouwen in en medewerking met de GI. Het LdH heeft daarom een signaalfunctie gekregen. De moeder staat op de wachtlijst voor zelfstandige woonruimte, maar het LdH ziet dat het de moeder niet altijd lukt om volledig in de opvoedbehoeften van [voornaam minderjarige] te voorzien. Als de moeder met [voornaam minderjarige] de opvang zou verlaten, ziet de GI grote risico’s. De moeder heeft last van sombere periodes en dan lukt het haar onvoldoende om zichzelf en [voornaam minderjarige] te motiveren om bijvoorbeeld naar school te gaan. Zowel de GI als het LdH denken dat ambulante begeleiding ontoereikend is. Daarnaast heeft de school zorgen geuit over [voornaam minderjarige] . Zij kan meekomen in de klas, alleen zij komt soms zonder ontbijt, is veel absent en wordt belast met volwassenproblematiek. De komende negen maanden zijn nodig om samen met de moeder en het LdH een plan op te stellen, te bekijken wat de moeder nodig heeft en hoe haar draagkracht als opvoeder kan worden vergroot. Ook moet gekeken worden naar een wenselijke woonsituatie voor [voornaam minderjarige] .

Het standpunt van de belanghebbenden

De moeder vindt het prettig dat de bijzondere curator betrokken is, omdat [voornaam minderjarige] de gesprekken met haar fijn vindt. De moeder weet niet of zij langere betrokkenheid van de GI wenst. [voornaam minderjarige] krijgt weleens volwassenzaken mee en deelt niet alles met de moeder om haar te beschermen. De moeder vindt het niet terecht dat haar wordt verweten dat zij niet op tijd bij een gesprek aanwezig was, omdat zij een ander tijdstip door had gekregen. Zij ontkent dat sprake is van depressieve periodes.
De bijzondere curator staat achter het verzoek van de GI. Begin vorig jaar waren er al zorgen over de leerbaarheid van de moeder en die zorgen zijn er nog steeds. Ook maakt de bijzondere curator zich zorgen over de schoolgang van [voornaam minderjarige] en het feit dat [voornaam minderjarige] wordt belast met volwassenproblematiek. [voornaam minderjarige] heeft op school een achterstand opgelopen door absentie. Indien de moeder en [voornaam minderjarige] een woning toegewezen krijgen, dan vraagt de bijzondere curator zich af hoe het verder gaat met [voornaam minderjarige] en of zij dan überhaupt naar de huidige school kan blijven gaan, omdat [voornaam minderjarige] haar basisschooltijd daar wil afronden. De bijzondere curator vermoedt dat [voornaam minderjarige] genoeg mensen om zich heen heeft en niet ook behoefte heeft aan de aanwezigheid van de bijzondere curator. De bijzondere curator verzoekt daarom om haar taak van haar taak te ontslaan.

De beoordeling

Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat er nog steeds sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging van [voornaam minderjarige] . De moeder en [voornaam minderjarige] verblijven in een opvang van het LdH en er bestaan zorgen over de opvoedsituatie van [voornaam minderjarige] . Volgens het LdH heeft de moeder sombere periodes en ook is haar draagkracht beperkt. De moeder is op die momenten niet goed in staat om dingen te regelen en te voorzien in de basisbehoeften van [voornaam minderjarige] . Ondanks dat de moeder steeds beter lukt om emotioneel beschikbaar te zijn voor [voornaam minderjarige] en haar vragen te stellen aan de begeleiding van het LdH zijn er zorgen over de continuering van de benodigde hulpverlening op het moment dat de moeder en [voornaam minderjarige] een eigen woning betrekken. De verwachting van het LdH en de GI is dat ambulante hulpverlening dan ontoereikend is om de ontwikkelingsbedreiging van [voornaam minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter deelt die opvatting en acht het noodzakelijk dat de GI langer betrokken blijft om de moeder te begeleiden en ondersteunen bij het vergroten van haar draagkracht en zelfstandigheid.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). De komende periode dient een goede woonplek voor de moeder en [voornaam minderjarige] te worden gevonden en moet de moeder worden ondersteund bij het vergroten van haar draagkracht en zelfstandigheid. De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengen voor de duur van negen maanden (artikel 1:260, eerste lid, BW).
De kinderrechter dankt de bijzondere curator voor haar inzet en inspanningen de afgelopen periode.

De beslissing

De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 5 december 2023;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2023 door mr. M.P. van der Stroom, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. D.W. Schalk, als griffier en schriftelijk vastgesteld op 13 maart 2023.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
- door de verzoekers en de belanghebbende(n) aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.