Verzoeker heeft een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter die hem in een strafzaak behandelde, omdat de rechter tijdens de terechtzitting vroeg naar zijn aanwezigheid bij een container waarin cocaïne werd gevonden. Verzoeker stelde dat deze vraag impliceerde dat de rechter al vaststond dat hij bij de container was, wat zou duiden op vooringenomenheid.
De wrakingskamer heeft het dossier van de strafzaak bestudeerd en geconstateerd dat de officier van justitie zijn tenlastelegging baseerde op aanwijzingen dat verzoeker zich op het terrein met containers bevond, mogelijk in de nabijheid van de container met cocaïne. De rechter was gehouden deze verdenking te onderzoeken en het stellen van de vraag was onderdeel van die onderzoekstaak.
De wrakingskamer oordeelde dat uit de vraagstelling niet kan worden afgeleid dat de rechter al een vaststaand oordeel had over de aanwezigheid van verzoeker bij de container. Verzoeker had immers verschillende antwoorden kunnen geven, waaronder ontkenning of zwijgen. Er waren geen concrete aanwijzingen voor partijdigheid of vooringenomenheid van de rechter.
Daarom werd het wrakingsverzoek ongegrond verklaard en afgewezen. De beslissing is genomen door een meervoudige wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam en is onherroepelijk.