Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding van 21 juni 2022, tevens houdende incidentele vordering tot afschrift van stukken ex artikel 843a Rv, met producties 1 tot en met 17;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 20;
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald;
- de e-mail van 10 december 2022 namens [gedaagde] , met aanvullende producties 18 tot en met 29.
2..De feiten
3..Het geschil in het incident
- primair: [verweerster] te veroordelen om [eiser] inzage in dan wel afschrift van het relevante deel van de administratie te verschaffen waaruit de besteding van de onkostenvergoeding van € 10.612,20 blijkt, met de daaraan ten grondslag liggende financiële bescheiden, zoals facturen, bankafschriften (waaronder bankrekening [bankrekeningnummer 2] ) en dergelijke van [verweerster] over de periode vanaf 19 april 2022;
- subsidiair: voor zover blijkt dat [verweerster] geen uitgaven heeft gedaan, [verweerster] te veroordelen om [eiser] inzage in dan wel afschrift van het relevante deel van de administratie te verschaffen waaruit de besteding van de onkostenvergoeding van € 10.612,20 blijkt, met de daaraan ten grondslag liggende financiële bescheiden, zoals facturen, bankafschriften en dergelijke van [verweerster] over de periode vanaf 19 april 2022;
- primair en subsidiair: