ECLI:NL:RBROT:2023:2985

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
8 maart 2023
Publicatiedatum
7 april 2023
Zaaknummer
10-750305-18 / 99/000390-34
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling wegens schending locatiegebod en meldplicht

De veroordeelde werd bij onherroepelijk vonnis van 11 april 2019 veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie jaar met diverse bijzondere voorwaarden waaronder een locatiegebod en meldplicht. De voorwaardelijke invrijheidstelling ging in op 11 juli 2020, waarna de veroordeelde in het buitenland verbleef en op 29 december 2022 feitelijk voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld.

Het Openbaar Ministerie diende op 14 februari 2023 een vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling in wegens het niet naleven van het locatiegebod en de meldplicht. Uit het rapport van de reclassering en de zitting bleek dat de veroordeelde zijn enkelband had doorgeknipt en zonder overleg naar Turkije was vertrokken, waar hij geopereerd werd en herstelde.

De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde verwijtbaar de voorwaarden had geschonden en herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling aan de orde was. Gezien de problematiek van de veroordeelde en het belang van toezicht en hulp, wees de rechtbank de herroeping slechts gedeeltelijk toe voor 180 dagen, waarbij het resterende deel van de voorwaardelijke invrijheidstelling en voorwaarden gehandhaafd blijven.

De beslissing werd genomen door een meervoudige kamer van de rechtbank Rotterdam op 8 maart 2023.

Uitkomst: De rechtbank wijst gedeeltelijk de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling toe en gelast dat 180 dagen van de straf alsnog moet worden ondergaan.

Uitspraak

Rechtbank ROtterdam
Team straf 2
VI-zaaknummer: 99/000390-34
Parketnummer: 10-750305-18
Datum uitspraak: 8 maart 2023
Beslissingvan de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank in de zaak tegen de veroordeelde

[verdachte01] ,

geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1982,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres01] , [postcode01] [plaats01] ,
doch thans verblijvende in Turkije,
raadsvrouw mr. Ö. Saki, advocaat te Rotterdam.

Opgelegde straf

Bij onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank
Rotterdam van 11 april 2019, is aan de veroordeelde een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 3 (drie) jaar, met aftrek van voorarrest.
Op grond van de wettelijke bepalingen was de voorwaardelijke invrijheidsstellingsdatum van de veroordeelde op 11 juli 2020 vastgesteld. Aansluitend daarop is de veroordeelde in overleveringsdetentie overgegaan en heeft hij vervolgens in het buitenland in detentie verbleven tot 29 december 2022.
De veroordeelde is op 29 december 2022 feitelijk voorwaardelijk in vrijheid gesteld.
Als bijzondere voorwaarden zijn onder meer gesteld:
- een locatiegebod ( [adres01] te Rotterdam);
- een meldplicht;
- een drugs- en alcoholverbod en onderzoeksplicht;
- een ambulante behandelverplichting;
- meewerken aan gedragsinterventies (cognitieve vaardigheidstraining, training agressiebeheersing of een soortgelijke interventie, leefstijltraining of soortgelijke interventie die gericht is op verslaving en middelengebruik)
- een inspanningsverplichting tot het verkrijgen en het behouden van structurele en zinvolle (betaalde) dagbesteding;
- een open, gemotiveerde en meewerkende houding tonen met betrekking tot het toezicht en de behandeling;
- meewerken aan het aflossen van schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt het meewerken aan schuldhulpverlening;
- openheid van zaken tonen ten aanzien van de financiële situatie.
De proeftijd is op die datum ingegaan en bedraagt 365 dagen.

Vordering

Op 14 februari 2023 heeft het openbaar ministerie een vordering ingediend tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van de veroordeelde, wegens het niet naleven van voormelde voorwaarden, meer specifiek het locatiegebod en de meldplicht.
Bij de vordering is overgelegd het rapport van 7 februari 2023 van Reclassering Nederland.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek van de zaak heeft plaatsgevonden op de openbare terechtzitting van 8 maart 2023.
De officier van justitie mr. X.C. van Balen en de veroordeelde, bijgestaan door de raadsvrouw, zijn gehoord. Omdat de veroordeelde thans in Turkije verblijft, is hij via een videoverbinding gehoord.
Voorts is de getuige de heer [getuige01] , als reclasseringswerker verbonden aan Reclassering Nederland, gehoord.
De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling.
De veroordeelde en de raadsvrouw hebben verzocht de vordering af te wijzen. Daartoe is aangevoerd dat het klopt dat de veroordeelde zich weliswaar strikt genomen niet aan de voorwaarden heeft gehouden, maar dat daarvoor (medische) redenen bestonden. De veroordeelde had de kans om in het buitenland sneller te worden geholpen voor zijn medische probleem (liesbreuk) en hij is daarom, zonder overleg met de reclassering, vertrokken. Hij verblijft op dit moment in Turkije, is inmiddels geopereerd en heeft een maand rust voorgeschreven gekregen om hiervan te herstellen. De veroordeelde is bereid terug te keren naar Nederland zodra dit mogelijk is en erkent gebaat te zijn bij hulp en toezicht. Hij is ook bereid mee te werken met de reclassering en zich te houden aan de voorwaarden. Om die reden is bepleit de vordering af te wijzen, subsidiair de vordering voor een korte periode toe te wijzen, zodat het toezicht alsnog kan starten en de veroordeelde de hulp kan krijgen die hij nodig heeft.

Beoordeling

Het rapport van de reclassering houdt in dat de veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de gestelde voorwaarden. Het toezicht is gestart nadat de veroordeelde zijn detentie in Nederland en België had uitgezeten. De veroordeelde droeg een enkelband. Nog voordat het toezicht en de begeleiding van de grond waren gekomen, heeft de veroordeelde deze enkelband doorgeknipt, waarna hij zonder enig overleg met de reclassering naar het buitenland is vertrokken. De veroordeelde heeft zich zodoende onttrokken aan de elektronische monitoring en het toezicht. De reclassering ziet geen mogelijkheden voor gedragsverandering en risicobeperking, ook niet na een gedeeltelijke herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. De reclassering adviseert om die reden het toezicht voortijdig negatief te beëindigen en de voorwaardelijke invrijheidsstelling te herroepen.
De getuige heeft dit standpunt op de terechtzitting gehandhaafd.
De rechtbank is op grond van het voorgaande en hetgeen op de terechtzitting is besproken van oordeel dat de veroordeelde de voormelde voorwaarden (het locatieverbod en de meldplicht) verwijtbaar niet heeft nageleefd. Herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling is om die reden aan de orde.
Hoewel de rechtbank het ten zeerste afkeurt dat de veroordeelde zijn enkelband heeft doorgeknipt en zonder overleg naar het buitenland is vertrokken, acht de rechtbank de herroeping van de volledige periode van de voorwaardelijke invrijheidsstelling niet opportuun. Immers in het geval de vordering in zijn geheel zou worden toegewezen, zou de veroordeelde na het ondergaan van de detentie zonder toezicht en hulp terugkeren in de maatschappij. De rechtbank acht dit gelet op de problematiek van de veroordeelde niet wenselijk.
De rechtbank zal daarom als strafrechtelijke reactie op het handelen van de veroordeelde, de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling gedeeltelijk toewijzen, te weten voor de duur van 180 dagen en gelasten dat dit gedeelte alsnog moet worden ondergaan. Het resterende deel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling blijft in stand. Voor dit deel zullen de voorwaarden gelden zoals deze reeds eerder zijn gesteld (waaronder de elektronische monitoring).

Beslissing

De rechtbank:
gelast dat van het gedeelte van de vrijheidsstraf dat niet ten uitvoer is gelegd, alsnog een gedeelte, groot 180 (honderdtachtig) dagen, moet worden ondergaan.
Deze beslissing is genomen door mr. G.P. van de Beek, voorzitter,
en mrs. F.J.E. van Rossum en K.Th. van Barneveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. V.E. Scholtens, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 8 maart 2023.