Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
[naam eiseres] , uit [plaatsnaam 1] , en anderen, eisers
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam
[naam bedrijf]uit [vestigingsplaats]
Inleiding
Totstandkoming van het besluit
Eisers zijn eigenaar respectievelijk bewoner van een appartement aan de [adres] . De bouwplaats ligt tegenover deze woning. Eisers betogen in beroep onder meer dat de bouwplaats overlast veroorzaakt.
Beoordeling door de rechtbank
“1. Het is verboden zonder vergunning van het college of de burgemeester de weg of weggedeelten anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan.
In de artikelen 1:8, eerste lid, en artikel 2:10a van de APV, zoals die op dat moment luidden, is bepaald op welke gronden een vergunning als bedoeld in artikel 2:10 kan Pro worden geweigerd.
Eisers stellen onder meer dat in het besluit van 30 november 2020 is vermeld dat de vergunning wordt verleend overeenkomstig de in de aanvraag en op de daarbij overgelegde en als zodanig gewaarmerkte tekening vermelde gegevens. De aanvraag bevat volgens hen echter geen concrete tekening van de bouwplaats op de genoemde locatie en de locatie en afmetingen van de bouwkeet zijn ook niet beschreven. Verder is volgens eisers de status van een stuk dat het college mondeling heeft aangeduid als “de aanvraag” onduidelijk. Zij stellen dat dit een uitdraai van het gemeentelijke registratiesysteem lijkt te zijn die dateert van na de aanvraag en daar geen deel van uitmaakt. In het stuk wordt namelijk verwezen naar de datum van de vergunning en de webapplicatie waarmee de aanvraag destijds is ingediend. Het stuk noemt alleen de Oostmaasstraat als locatie. Daarnaast wijzen eisers erop dat het stuk “Bouwplaats cluster 3 fase I: blok A en B, onderbouwing” een periode van drie tot vier jaar noemt voor het uitvoeren van de werkzaamheden, terwijl in de vergunning en op het “aanvraagformulier” een periode van drie jaar is vermeld, namelijk 11 januari 2021 tot en met 8 januari 2024.
Het college hoefde de vergunning niet met toepassing van artikel 1:8, eerste lid, aanhef en onder e, van de APV te weigeren. De beroepsgrond slaagt niet.
Volgens eisers treden er op hun woning hoge piekniveaus en equivalente geluidniveaus op als gevolg van onder meer het laden en lossen van vrachtwagens en het neerleggen en verplaatsen van materialen. Voor het equivalente geluidniveau (LAeq) zijn ook andere geluidbronnen van belang, waaronder de buitenunits voor koelen en verwarmen op de bouwkeet. Eisers stellen dat voor het geluid van de koelunits en de achteruitrijsignalering een toeslag van 5 dB voor tonaal geluid moet worden toegepast. Het equivalente geluidniveau van alle geluidbronnen op de bouwplaats samen zal op hun woning ongeveer 62 dB(A) bedragen, terwijl zij ten hoogste 50 dB(A) aanvaardbaar vinden. De achteruitrijsignalering van de ruwterreinheftruck veroorzaakt volgens eisers onaanvaardbare piekniveaus (LAmax) van 75 tot 81 dB(A) in de dagperiode. Zonder de achteruitrijsignalering treden op hun woning nog steeds piekniveaus op van meer dan 70 dB(A) in de dagperiode.
Het college stelt voorop dat de vergunning niet is verleend voor bouwactiviteiten op deze locatie, maar alleen voor het opslaan van bouwmaterialen en het gebruik van een bouwkeet als schaftlokaal en directiekeet. Gelet op dit gebruik acht het college het aannemelijk dat de activiteiten geen onaanvaardbare geluidhinder voor omwonenden veroorzaken. Er doet zich daarom geen weigeringsgrond voor als bedoeld in artikel 1:8 of Pro artikel 2:10a van de APV. Het college heeft niettemin een geluidonderzoek laten uitvoeren. De resultaten daarvan zijn neergelegd in het Memo Bouwlawaai van dBVision van 12 april 2022, dat bij het verweerschrift is gevoegd. Uit het onderzoek komt naar voren dat de geluidbelasting op de woning van eisers ten hoogste 56 dB(A) is. Dat is lager dan de in het Bouwbesluit 2012 opgenomen dagwaarde van 60 dB(A) voor werkzaamheden die langer dan 50 dagen duren. Tijdens de bezwaarprocedure heeft het college onderzocht hoeveel meldingen van (geluid)overlast zijn gedaan over de bouwplaats. Volgens het college heeft [naam bedrijf] twee klachten ontvangen. Deze klachten zijn afkomstig van dezelfde bewoner en dateren van voor het bestreden besluit. Bij het gemeentelijke cluster Stadsbeheer/Toezicht en Handhaving zijn geen klachten binnengekomen.
Partijen zijn het erover eens dat artikel 8.3, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 als zodanig niet van toepassing is, omdat op de bouwplaats aan de [straatnaam] geen bedrijfsmatige bouw- of sloopwerkzaamheden worden uitgevoerd. De rechtbank is van oordeel dat het college voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting in redelijkheid wel aansluiting heeft kunnen zoeken bij de norm van 60 dB(A) als dagwaarde uit artikel 8.3, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012, mede gelet op de beoordelingsruimte die de artikelen 1:8 en 2:10a van de APV bieden.
Het college heeft naar voren gebracht dat het in het onderzoek van dBVision berekende equivalente geluidniveau van 56 dB(A) op de woning van eisers een worstcasescenario is. De rechtbank begrijpt dit zo dat het college kennelijk van mening is dat de daadwerkelijke geluidbelasting wezenlijk lager is. Het college heeft daarbij vooral gewezen op de bedrijfsduur van de koelunits op de bouwkeet, die in werkelijkheid eerder 8 uur dan 12 uur zou zijn. Eisers hebben daar ter zitting echter tegenin gebracht dat dat hooguit enkele tienden verschil maakt op de berekende geluidbelasting.
Eisers hebben indicatieve geluidberekeningen overgelegd. Ter zitting is gebleken dat zij deze berekeningen zelf hebben gemaakt en dat [naam eiseres] beroepsmatig deskundigheid op dit terrein bezit. Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank geen toereikende verklaring kunnen geven voor het verschil van 6 dB(A) in het equivalente geluidniveau op de woning van eisers tussen de berekening van eisers en die van dBVision. Uit de stukken blijkt dat alle geluidbronnen die eisers in hun berekeningen hebben betrokken ook voorkomen in het onderzoek van dBVision. Ter zitting is gebleken dat het verschil vooral is te verklaren door het verschil in bronvermogen dat voor de ruwterreinheftruck en de achteruitrijsignalering daarvan is gehanteerd. Eisers hebben hierover gesteld dat zij zijn uitgegaan van het type heftruck dat op de bouwplaats rondrijdt en daarvan het bronvermogen hebben achterhaald. Het college heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom in het onderzoek van dBVision een veel lager bronvermogen voor de ruwterreinheftruck is gehanteerd. De rechtbank is op dit punt dan ook niet overtuigd van de juistheid van dat onderzoek.
De rechtbank stelt verder vast dat het college geen onderzoek heeft laten doen naar het maximale geluidniveau, terwijl het gezien de activiteiten – onder meer bewegingen met vrachtwagens en ruwwerkheftrucks en laden en lossen – aannemelijk is dat daardoor geluidhinder voor omwonenden kan ontstaan en eisers in hun bezwaarschrift ook op hoge piekniveaus hebben gewezen en berekeningen hebben overgelegd. Het college heeft bovendien niet onderbouwd welke maximale geluidniveaus volgens hem aanvaardbaar kunnen worden geacht. Artikel 8.3 van het Bouwbesluit 2012, waarbij het college voor het equivalente geluidniveau aansluiting heeft gezocht, bevat geen normen voor het maximale geluidniveau.
Uit de berekeningen van zowel eisers als het college blijkt dat sprake is van een aanzienlijke geluidbelasting. Er is echter geen grenswaarde vastgelegd in de vergunning, terwijl de norm uit artikel 8.3, tweede lid, van het Bouwbesluit 2012 in dit geval als zodanig niet van toepassing is en er ook niet op grond van een andere regeling rechtstreeks een concrete geluidnorm geldt. Een dergelijke grenswaarde is ook niet vastgelegd in bijvoorbeeld een ontheffing voor geluidhinder buiten een inrichting op grond van artikel 4:6 van Pro de APV. De vergunning schrijft daarnaast geen geluidbeperkende maatregelen voor, terwijl uit de stukken en het verhandelde ter zitting wel blijkt dat [naam bedrijf] bepaalde maatregelen toepast.
Voor zover eisers hebben aangevoerd dat de bouwkeet groter is dan nodig, leidt dat niet tot een ander oordeel. De onderste verdieping wordt gebruikt als schaftruimte voor het personeel op de bouwplaats en de bovenste verdieping als kantoorruimte. De noodzaak van de omvang van de bouwkeet moet worden beoordeeld naar het moment waarop het bestreden besluit is genomen. Op dat moment, en op het moment dat de vergunning werd verleend, golden er beperkingen in verband met coronamaatregelen. Daartoe behoorde ook de maatregel van 1,5 meter afstand. Naar het oordeel van de rechtbank is de omvang van de kantoorruimtes niet bovenmatig als rekening wordt gehouden met die maatregel. Verder heeft [naam bedrijf] ter zitting toegelicht dat een bepaalde hoeveelheid kantoorpersoneel in verschillende functies nodig is om de werkzaamheden in goede banen te leiden, dat daarvoor naast werkplekken ook vergaderruimten nodig zijn en dat in ieder geval een deel van de werkzaamheden door hun aard in de buurt van het bouwproject moet plaatsvinden. Voor de schaftruimte is van belang dat het een wettelijke verplichting is om een schaftruimte in te richten, ook als niet al het personeel daar in de praktijk vanwege de afstand gebruik van maakt. Bovendien is ter zitting gesteld dat in latere fases van het project werkzaamheden worden uitgevoerd op locaties die dichter bij de bouwkeet liggen. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat de bouwkeet groter is dan nodig en daarmee een onnodig grote aantasting van het uitzicht veroorzaakt.
Conclusie en gevolgen
De rechtbank ziet aanleiding om het college in de gelegenheid te stellen het gebrek te herstellen. Dat herstellen kan hetzij met een aanvullende motivering, hetzij, voor zover nodig, met een nieuwe beslissing op bezwaar, na of tegelijkertijd met intrekking van het nu bestreden besluit.
Om het gebrek te herstellen, moet het college aanvullend onderzoek laten doen naar de geluidbelasting op de woning van eisers. Daarin moet in ieder geval worden ingegaan op het bronvermogen van de ruwterreinheftruck. Voor zover blijkt dat niet van het eerder gehanteerde bronvermogen kan worden uitgegaan, moet het equivalente geluidniveau (LAeq) op de woning van eisers opnieuw worden berekend. Daarnaast moet het maximale geluidniveau (LAmax) op de woning van eisers alsnog worden onderzocht. Naar aanleiding van de resultaten van het aanvullende onderzoek moet het college opnieuw een belangenafweging maken over de aanvaardbaarheid van de geluidbelasting en opnieuw toetsen aan de relevante weigeringsgronden uit de APV. Het college moet daarbij ook opnieuw beoordelen of geluidgrenswaarden en/of geluidbeperkende maatregelen moeten worden voorgeschreven. De rechtbank bepaalt de termijn waarbinnen verweerder het gebrek kan herstellen op zes weken na verzending van deze tussenuitspraak.
Beslissing
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Artikel 8.3 Geluidhinder
Artikel 1:8 Weigeringsgronden Pro
Artikel 2:10 Plaatsen Pro van voorwerpen op of aan de weg in strijd met de publieke functie van de weg