ECLI:NL:RBROT:2023:13053
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende toegenomen arbeidsongeschiktheid
Eiseres, werkzaam als callcenter medewerker, viel in juni 2018 uit wegens klachten aan haar rechterhand. Na een wachttijd werd vastgesteld dat zij meer dan 65% van haar loon kon verdienen, waardoor zij geen recht had op een WIA-uitkering. Eiseres stelde dat haar beperkingen per 22 februari 2021 waren toegenomen, maar de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige concludeerden dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg.
De rechtbank beoordeelde het beroep tegen de weigering van de WIA-uitkering per 22 februari 2021. De medische beoordeling was zorgvuldig en betrof onder meer een onderzoek van april 2021, waarbij aanvullende beperkingen werden vastgesteld, maar niet zodanig dat zij aanspraak maakte op een uitkering. De arbeidsdeskundige stelde dat de geselecteerde functies passend waren en dat het opleidingsniveau van eiseres (MAVO, gelijkgesteld aan MBO-3) voldeed aan de functie-eisen.
Eiseres voerde aan dat bijwerkingen van medicatie en een WMO-ondersteuningsarrangement onvoldoende waren meegewogen, maar de rechtbank oordeelde dat deze aspecten niet relevant zijn voor de WIA-beoordeling. De rechtbank concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist was vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.
Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de weigering van een WIA-uitkering wordt ongegrond verklaard.