Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
[adres01] , [postcode01] te [woonplaats01] ,
Rechtbank Rotterdam
In deze zaak vorderde het Openbaar Ministerie ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ter waarde van circa €1.333,75 van verdachte, naar aanleiding van een verdenking van medeplegen van witwassen in de periode van november 2021 tot februari 2022. Tijdens de terechtzitting van 31 oktober 2023 werd het standpunt ingenomen dat de ontnemingsvordering moest worden afgewezen omdat verdachte in de onderliggende strafzaak was vrijgesproken.
De rechtbank bevestigde op 14 november 2023 de vrijspraak van verdachte, waarbij het ten laste gelegde niet bewezen werd geacht. Gelet op deze vrijspraak oordeelde de rechtbank dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk was in de ontnemingsvordering, aangezien een veroordeling wegens een strafbaar feit ontbreekt en dit een vereiste is voor ontvankelijkheid in een ontnemingsprocedure.
De rechtbank verwees hierbij naar de jurisprudentie van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2009:BG4258) die bevestigt dat zonder veroordeling geen ontnemingsvordering kan worden ingesteld. Het vonnis werd uitgesproken door een meervoudige kamer en bevatte tevens een bijlage met het vonnis van vrijspraak. De beslissing luidde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk werd verklaard in de ontnemingsvordering.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering wegens vrijspraak van verdachte in de onderliggende strafzaak.