Verzoeker heeft een verzoek ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wegens een aanzienlijke schuldenlast van meer dan €570.000. De rechtbank heeft onderzocht of verzoeker te goeder trouw is geweest in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek, een vereiste voor toewijzing. Verzoeker is sinds december 2023 werkzaam als office manager, maar heeft in de maanden daarvoor niet gewerkt en werd onderhouden door familie.
De rechtbank constateert dat verzoeker aanzienlijke schulden heeft bij meerdere schuldeisers, waaronder een betwiste schuld van €203.660,- en een lening van €4.000,- waarvan verzoeker wist of had moeten weten dat hij deze niet kon terugbetalen. Ook is onduidelijkheid over een vordering van €50.000,- van een schuldeiser die verzoeker als investering ziet, niet als schuld.
De rechtbank oordeelt dat verzoeker niet te goeder trouw is geweest bij het aangaan en onbetaald laten van zijn schulden. Verzoeker heeft onvoldoende inspanningen getoond om zijn schulden af te lossen en heeft risico’s genomen in plaats van regelingen te treffen. Door het ontbreken van duidelijkheid over de schuldenlast en het gedrag van verzoeker wordt het verzoek afgewezen.