De zaak betreft een kort geding tussen twee partijen die sinds april 2023 een islamitisch huwelijk zijn aangegaan en gezamenlijk eigenaar zijn van een woning in Rhoon. Na beëindiging van hun affectieve relatie vordert de ene partij betaling van een bedrag van €8.859,-, gebaseerd op investeringen in de woning die de andere partij zou moeten vergoeden.
De voorzieningenrechter beoordeelt dat bij geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is en dat de vordering voldoende hard moet staan en spoedeisend moet zijn. Tijdens de zitting bleek uit bankafschriften dat beide partijen hebben bijgedragen aan de verbouwingskosten, maar het exacte bedrag dat de eiser nog van de gedaagde zou moeten ontvangen, kon niet duidelijk worden vastgesteld.
Omdat het verschuldigde bedrag niet eenvoudig vast te stellen is en er al een bodemprocedure loopt waarin deze kwestie kan worden meegenomen, wordt de vordering afgewezen. Partijen hebben bovendien afgesproken ieder hun eigen kosten te dragen, waardoor een proceskostenveroordeling achterwege blijft.