ECLI:NL:RBROT:2023:12380

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
28 december 2023
Publicatiedatum
3 januari 2024
Zaaknummer
C/10/669332 / KG ZA 23-1051
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing geldvordering in kort geding wegens onvoldoende vaststelling bedrag en lopende bodemprocedure

De zaak betreft een kort geding tussen twee partijen die sinds april 2023 een islamitisch huwelijk zijn aangegaan en gezamenlijk eigenaar zijn van een woning in Rhoon. Na beëindiging van hun affectieve relatie vordert de ene partij betaling van een bedrag van €8.859,-, gebaseerd op investeringen in de woning die de andere partij zou moeten vergoeden.

De voorzieningenrechter beoordeelt dat bij geldvorderingen in kort geding terughoudendheid geboden is en dat de vordering voldoende hard moet staan en spoedeisend moet zijn. Tijdens de zitting bleek uit bankafschriften dat beide partijen hebben bijgedragen aan de verbouwingskosten, maar het exacte bedrag dat de eiser nog van de gedaagde zou moeten ontvangen, kon niet duidelijk worden vastgesteld.

Omdat het verschuldigde bedrag niet eenvoudig vast te stellen is en er al een bodemprocedure loopt waarin deze kwestie kan worden meegenomen, wordt de vordering afgewezen. Partijen hebben bovendien afgesproken ieder hun eigen kosten te dragen, waardoor een proceskostenveroordeling achterwege blijft.

Uitkomst: De geldvordering van €8.859,- wordt afgewezen wegens onvoldoende vaststelling van het bedrag en het bestaan van een lopende bodemprocedure.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK ROTTERDAM

Team handel en haven
zaaknummer / rolnummer: C/10/669332 / KG ZA 23-1051
Vonnis in kort geding van 28 december 2023
in de zaak van
[persoon01],
wonende te [woonplaats01] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. G.J.C.R. Romet te Rotterdam,
tegen
[persoon02],
wonende te [woonplaats02] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. drs. H. Durdu te Rotterdam.
Partijen worden hierna [persoon01] en [persoon02] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende stukken:
  • de dagvaarding van 6 december 2023, met producties 1 tot en met 7;
  • de conclusie van antwoord, met eis in reconventie, met producties 1 tot en met 13;
  • productie 8 van [persoon01] ;
  • de pleitnota van [persoon01] .
1.2.
De mondelinge behandeling heeft op 14 december 2023 plaatsgevonden. Op die behandeling hebben partijen een gedeeltelijke schikking bereikt. Deze schikking is vastgelegd in een proces-verbaal. Onderdeel van de bereikte schikking is dat [persoon01] alle vorderingen in conventie intrekt en [persoon02] de voorzieningenrechter ten aanzien van één vordering in reconventie vonnis vraagt te wijzen. De overige vorderingen in reconventie heeft zij ingetrokken. Partijen hebben ook afgesproken dat zij ieder de eigen kosten van deze procedure dragen.

2.De feiten

2.1.
[persoon01] en [persoon02] zijn op 26 april 2023 op Islamitische wijze met elkaar getrouwd. Zij zijn niet voor de Nederlandse wet getrouwd en hebben ook geen samenlevingsovereenkomst gesloten.
2.2.
Partijen zijn sinds juni 2022 gezamenlijk eigenaar van de woning, gelegen aan de [adres01] te ( [postcode01] ) Rhoon (hierna: ‘de woning’). In mei 2023 zijn zij in de woning getrokken.
2.3.
In de periode na de aankoop van de woning is er materiaal ingekocht voor de verbouwing van de keuken en de badkamer.
2.4.
Partijen hebben hun affectieve relatie medio juni 2023 beëindigd.
2.5.
Tussen partijen loopt op dit moment een bodemprocedure bij de kantonrechter van deze rechtbank. Die procedure staat voor conclusie van antwoord.

3.Het geschil in reconventie

3.1.
[persoon02] vordert – voor zover nog relevant na de schikking – [persoon01] te veroordelen tot betaling van € 8.859,-. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat zij dit bedrag heeft geïnvesteerd in de woning en dat [persoon01] profiteert van deze investeringen, en [persoon02] niet, omdat [persoon01] het onverdeelde aandeel van [persoon02] in de woning gaat overnemen.
3.2.
[persoon01] voert verweer en concludeert dat de vordering van [persoon02] moet worden afgewezen, omdat de grondslag voor de vordering ontbreekt en omdat deze vordering zich niet leent voor een behandeling in kort geding.

4.De beoordeling in reconventie

4.1.
De vordering van [persoon02] is een geldvordering. Bij een vordering tot betaling van een geldsom in kort geding is terughoudendheid op zijn plaats. Om een dergelijke vordering in kort geding te kunnen toewijzen, is nodig dat die vordering in voldoende mate vaststaat. Ook moet er sprake zijn van omstandigheden die meebrengen dat, vanwege een grote mate van spoedeisendheid, een onmiddellijke voorziening moet worden getroffen. Ten slotte moet rekening worden gehouden met het risico dat de eiser het geldbedrag niet kan terugbetalen in het geval hij in de bodemprocedure alsnog in het ongelijk wordt gesteld.
4.2.
Aan het vereiste spoedeisend belang worden minder hoge eisen gesteld wanneer een vordering in hoge mate aannemelijk is. De onder 4.1 genoemde vereisten zijn in zoverre communicerende vaten. Van een voldoende harde vordering is echter geen sprake. De voorzieningenrechter licht dit als volgt toe.
4.3.
De voorzieningenrechter heeft ter zitting de door [persoon02] overgelegde bankafschriften met partijen besproken waaruit de door haar verrichte betalingen zouden blijken. Hoewel [persoon02] in de stukken stelt dat zij al het materiaal voor de keuken en badkamer zelf heeft betaald, werd ter zitting duidelijk dat ook [persoon01] (in ieder geval deels) heeft meebetaald aan deze uitgaven. Hoeveel [persoon02] precies heeft betaald en hoeveel [persoon01] is echter niet voldoende duidelijk geworden. Dit betekent dat niet vaststaat, en ook niet eenvoudig vastgesteld kan worden, welk bedrag [persoon01] nog aan [persoon02] is verschuldigd. Hiermee is niet voldaan aan de belangrijkste eis voor toewijzing van een geldvordering in kort geding. Er loopt bovendien al een bodemprocedure waarin deze kwestie desgewenst meegenomen kan worden. In het midden kan dan blijven of sprake is van een restitutierisico. Dit betekent dat de vordering van [persoon02] wordt afgewezen.
4.4.
In overeenstemming met de door partijen gemaakte afspraken blijft een proceskostenveroordeling achterwege.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
in reconventie
5.1.
wijst de vordering af.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. Doorduijn en in het openbaar uitgesproken op 28 december 2023.3608/1876