Verzoekster diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord af te dwingen tegen één schuldeiser die niet akkoord ging met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorziet in een betaling van 38,3% aan preferente en 19,2% aan concurrente schuldeisers, gefinancierd door een saneringskrediet. Verzoekster heeft een grote afstand tot de arbeidsmarkt en mentale gezondheidsproblemen, met een medische vrijstelling van arbeidsverplichtingen.
De rechtbank constateert dat twaalf van de dertien schuldeisers met het akkoord instemmen en dat het voorstel deskundig is getoetst en goed onderbouwd. De schuldeiser die weigert, eist minimaal 40%, maar verschijnt niet ter zitting om haar standpunt toe te lichten. De rechtbank weegt het belang van verzoekster en de meerderheid van schuldeisers zwaarder dan dat van de weigeraar.
De rechtbank oordeelt dat het dwangakkoord het uiterste is wat verzoekster kan bieden en dat toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling minder oplevert door kortere looptijd en extra kosten. Daarom beveelt de rechtbank de schuldeiser tot instemming met het akkoord, wijst het subsidiaire verzoek tot schuldsaneringsregeling af en veroordeelt de schuldeiser in de proceskosten.