ECLI:NL:RBROT:2023:11761

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
7 december 2023
Publicatiedatum
14 december 2023
Zaaknummer
10.091169.22
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontucht gepleegd door woonbegeleider met cliënt in hulpverleningsrelatie

In deze zaak heeft de rechtbank Rotterdam op 7 december 2023 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die als woonbegeleider werkzaam was bij het Centrum voor Dienstverlening. De verdachte is beschuldigd van ontucht met een cliënt, waarbij de rechtbank heeft vastgesteld dat er sprake was van een hulpverlener/cliënt-relatie. De aangeefster was afhankelijk van de verdachte, wat van invloed was op de vrijwilligheid van de seksuele handelingen. De rechtbank oordeelde dat de seksuele handelingen een ontuchtig karakter droegen en heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 150 uren. Daarnaast is er een schadevergoeding toegewezen aan de benadeelde partij van € 3.385, vermeerderd met wettelijke rente. De rechtbank heeft in haar overwegingen benadrukt dat de verdachte, door in een professionele rol seksuele handelingen te verrichten, de grenzen van zijn functie heeft overschreden en het vertrouwen van de aangeefster heeft geschaad. De rechtbank heeft ook rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, maar heeft geconcludeerd dat de ernst van het feit een forse straf rechtvaardigt.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 2
Parketnummer: 10.091169.22
Datum uitspraak: 7 december 2023
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte01] ,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres01] , [postcode01] te [plaats01] ,
raadsvrouw mr. F.W.M. Hopmans, advocaat te Breda.

1.Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 23 november 2023.

2.Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. R.P.L. van Loon heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit in de periode van eind maart 2017 tot 1 oktober 2017;
  • veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 uren.

4.Waardering van het bewijs

4.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het ten laste gelegde, met de strekking dat geen sprake is geweest van het plegen van ontucht door de verdachte jegens aangeefster [aangeefster01] (hierna: de aangeefster). De functionele relatie tussen de verdachte als hulpverlener en de aangeefster als cliënt heeft geen rol gespeeld bij de seksuele handelingen, in die zin dat sprake was van vrijwilligheid en dat enige vorm van afhankelijkheid niet van invloed is geweest. Volgens de verdachte hebben hij en de aangeefster een – vanuit beide kanten – vrijwillige affectieve relatie gehad, waarbij seksuele contacten met instemming van beiden hebben plaatsgevonden. Het initiatief voor de relatie kwam vanuit aangeefster. Zij was een zeer zelfstandige vrouw en regelde veel dingen zelf, waardoor zij niet afhankelijk van de verdachte was. Er was daarom geen sprake van ‘ontucht plegen’.
4.2.
Beoordeling
De verdachte heeft tijdens de zitting verklaard dat in de periode eind maart tot 1 oktober 2017 een deel van de ten laste gelegde seksuele handelingen tussen de verdachte en aangeefster hebben plaatsgevonden. De officier van justitie heeft naar aanleiding van deze verklaring de verdenking in tijd beperkt tot de periode van 31 maart 2017 tot 1 oktober 2017. De rechtbank gaat er op basis van de verklaring van de verdachte vanuit dat in die periode seksuele handelingen tussen de verdachte en aangeefster hebben plaatsgevonden. Het staat verder vast dat er tussen de verdachte en de aangeefster in deze periode een hulpverlener/cliënt-relatie bestond.
Vooropgesteld wordt dat met het bepaalde in artikel 249, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr) is beoogd strafrechtelijke bescherming te bieden tegen een seksuele benadering van de zijde van hulpverleners. Deze bepaling beschermt de cliënt of patiënt onder meer tegen misbruik van het psychische overwicht dat de hulpverlener heeft of van de afhankelijke positie van de cliënt of patiënt. Dat maakt dat indien er seksuele handelingen plaatsvinden in een dergelijke hulpverlener/cliënt-relatie, het ontuchtige karakter in beginsel wordt aangenomen. Dit is alleen anders indien de relatie tussen de cliënt en de hulpverlener bij de seksuele handelingen geen rol heeft gespeeld, in die zin dat bij de cliënt sprake is van vrijwilligheid en daarbij enige vorm van afhankelijkheid, zoals die in de regel bij een dergelijke functionele relatie in meerdere of mindere mate bestaat, niet van invloed is geweest. Bij de beantwoording van de vraag of er in dit geval sprake is van een dergelijke uitzondering neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
Verdachte was in de ten laste gelegde periode werkzaam bij het Centrum voor Dienstverlening (hierna: CVD) als woonbegeleider. Tot zijn functie behoorde onder meer het begeleiden van de aangeefster en haar dochters. De verdachte hield zich in dat kader onder andere bezig met zaken op het gebied van wonen en financiën. Hij deed dit ongeveer 7 uren per week op basis van een WMO (Wet maatschappelijke ondersteuning) indicatie. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij wist dat aangeefster in het verleden is misbruikt, dakloos was geweest en in een opvang had gezeten. Vanuit die problematiek was zij in beeld van het CVD gekomen. Uiteindelijk had zij een woning gekregen en werd de verdachte haar woonbegeleider. De verdachte wist, gelet op het verleden van aangeefster, hoe belangrijk de woning voor haar was.
Door de aangeefster meerdere keren per week te begeleiden en te adviseren op het gebied van financiën en te ondersteunen bij de opvoeding van haar dochters, is de verdachte telkens geconfronteerd geweest met (tenminste een deel van) de problematiek en de daaruit voortvloeiende kwetsbaarheid van de aangeefster. Met wetenschap van het voornoemde is de verdachte desondanks een seksuele relatie met de aangeefster aangegaan.
Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is geweest van een gelijkwaardige relatie tussen de verdachte en aangeefster, zoals door de verdachte is gesteld. Tussen de verdachte en aangeefster bestond een hulpverlener/cliënt-relatie en die functionele relatie is, naar het oordeel van de rechtbank, van invloed geweest bij de vrijwilligheid van de seksuele handelingen en heeft daarbij een rol gespeeld. De aangeefster was afhankelijk van de verdachte en deze afhankelijkheid is van invloed geweest op de seksuele relatie, zo volgt ook uit haar verklaring. De seksuele handelingen dragen daarmee een ontuchtig karakter. Het ten laste gelegde feit zal dan ook bewezen worden verklaard. De rechtbank beperkt zich daarbij tot de seksuele handelingen die door de verdachte zijn bekend, nu voor de overige handelingen onvoldoende bewijs aanwezig is.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op meer tijdstippen in de periode van 31 maart 2017 tot 1 oktober 2017 te Rotterdam, ,
terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg (te weten als woonbegeleider
bij Centrum voor Dienstverlening),
ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer01] , die zich als cliënt aan zijn hulp
en zorg had toevertrouwd,
immers heeft hij meermalen (telkens) opzettelijk
- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer01] geduwd en gebracht en (heen en weer)
bewogen, en
- zijn tong in en tegen de vagina van die [slachtoffer01] gebracht en geduwd en/
(heen en weer) bewogen, en
- die [slachtoffer01] getongzoend, en
- zich laten pijpen door die [slachtoffer01] ;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5.Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
werkzaam in de maatschappelijke zorg, ontucht plegen met iemand die zich als cliënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6.Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7.Motivering straf

De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft gedurende een aantal maanden op frequente basis in zijn functie als woonbegeleider bij het CVD ontucht gepleegd met de aangeefster die op dat moment zijn cliënt was. Zij was, als kwetsbare vrouw, aan de hulp van de verdachte toevertrouwd. Uit de verklaringen van aangeefster en twee van haar kennissen, die de verdachte en aangeefster samen hebben meegemaakt, komt een beeld naar voren van een man die zich naar anderen intimiderend heeft opgesteld. De verdachte kan dit weliswaar anders hebben beleefd, maar van de verdachte mocht hoe dan ook worden verwacht dat hij de noodzakelijke professionele grenzen in acht zou nemen. Door in een hulpverlener/cliënt-relatie seksuele handelingen met de aangeefster te verrichten, heeft de verdachte gehandeld in strijd met de door hem te betrachten professionaliteit die de aangeefster juist bescherming had moeten bieden. Daarmee heeft de verdachte – zo blijkt ook uit de namens het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring – het vertrouwen en het psychische welzijn van het slachtoffer geschaad.
De rechtbank heeft bij de strafoplegging rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij beschikt over een eigen woning en er zijn geen andere probleemgebieden gebleken. Sinds het ontslag op staande voet bij het CVD na het bekend worden van de (seksuele) relatie tussen de verdachte en de aangeefster, heeft de verdachte, ondanks pogingen daartoe, nergens meer een baan kunnen krijgen.
Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie van 16 oktober 2023 blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Gelet op het voorgaande en op het tijdsverloop in deze zaak, wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet passend geacht. Gezien de ernst van het feit zal de rechtbank wel een forse taakstraf opleggen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straf passend en geboden.

8.Vordering benadeelde partij

Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [benadeelde partij01] . De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 385,= aan materiële schade, een vergoeding van € 5.000,= aan immateriële schade en € 2.500,= aan nader te onderbouwen schade voor een eventuele hoge beroepsprocedure.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het materieel gevorderde bedrag kan worden toegewezen. Daarnaast is voldoende onderbouwd dat er immateriële schade is geleden door de benadeelde partij. De officier van justitie acht echter, gelet op soortgelijke zaken, een matiging tot een bedrag van € 3.000,= billijk, vermeerderd met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat de benadeelde partij voor het overige, ook waar het de nader te onderbouwen (toekomstige) schade betreft, niet-ontvankelijk zal worden verklaard.
8.2.
Standpunt verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak, verzoekt de raadsvrouw primair om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren. Subsidiair verzoekt zij eveneens om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, omdat het causale verband ontbreekt. De klachten van aangeefster zouden, naar eigen zeggen, in 2018 zijn begonnen, maar uit het dossier blijkt dat aangeefster voordat zij de verdachte leerde kennen ook al een en ander had meegemaakt. De strafzaak leent zich er daarom niet voor om een schadebedrag te kunnen vaststellen, omdat onvoldoende duidelijk is welke schade aangeefster heeft geleden ten gevolge van het handelen van verdachte en welke schade al daarvoor is ontstaan. Meer subsidiair heeft de raadsvrouw verzocht om het gevorderde bedrag aanzienlijk te matigen.
8.3.
Beoordeling
De materiële schade bestaat uit het eigen risico voor medische kosten. Deze kosten acht de rechtbank voor toewijzing vatbaar nu dit rechtstreekse schade betreft en de gemaakte kosten voldoende onderbouwd zijn.
Ten aanzien van de immateriële schade overweegt de rechtbank als volgt.
Door de benadeelde partij is gesteld dat zij psychisch leed heeft ondervonden en nog steeds ondervindt ten gevolge van het ten laste gelegde feit. Zij is het vertrouwen in mensen verloren en vertrouwt, meer in het bijzonder, mannen niet meer. De rechtbank merkt op dat de bijzondere ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de aangeefster maken dat een vergoeding van immateriële schade mogelijk is, onafhankelijk van de vraag of sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. In algemene zin is namelijk in dergelijke zedenzaken een aantasting van de persoon een gegeven. Als er al sprake zou zijn van een situatie waarin “aangeefster voordat zij de verdachte leerde kennen ook al een en ander had meegemaakt”, dan is dit een omstandigheid die aan de verdachte wordt toegerekend.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank naar maatstaven van billijkheid een vergoeding wegens immateriële schade toekennen van € 3.000.=. Daarbij is rekening gehouden met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die rechters in vergelijkbare zaken toewijzen. De vordering zal tot dit bedrag worden toegewezen. Voor het overige deel zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk worden verklaard. Dit deel van de vordering kan derhalve slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Voor zover de vordering ziet op nader te onderbouwen schade voor een eventuele hoger beroep procedure, komt deze niet tot voor toewijzing in aanmerking. De vordering zal ook voor dit gedeelte niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente, vanaf 31 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening. Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.

9.Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 9, 22c, 22d, 36f en 249 van het Wetboek van Strafrecht.

10.Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11.Beslissing

De rechtbank:
verklaart
bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
taakstrafvoor de duur van
150 (honderdvijftig) uren, waarbij de Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van
75 (vijfenzeventig) dagen;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [benadeelde partij01] , te betalen een bedrag van
€ 3.385,= (zegge: drieduizend driehonderd vijfentachtig euro), bestaande uit € 385,= aan materiële schade en € 3.000,= aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 31 maart 2017 tot aan de dag der algehele voldoening;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil;
legt aan de verdachte
de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van
[benadeelde partij01]te betalen
€ 3.385(zegge:
drieduizend driehonderd vijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 maart 2017 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom niet mogelijk blijkt,
gijzelingkan worden toegepast voor de duur van
43 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. van de Klashorst, voorzitter,
en mrs. E.A. Poppe-Gielesen en L. Daum, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L. Hessing, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot
en met 7 december 2017 te Rotterdam, althans in Nederland,
terwijl hij werkzaam was in de maatschappelijke zorg (te weten als woonbegeleider
en/of maatschappelijk werker bij Centrum voor Dienstverlening),
ontucht heeft gepleegd met [slachtoffer01] , die zich als patiënt en/of cliënt aan zijn hulp
en/of zorg had toevertrouwd,
immers heeft hij één of meermalen (telkens) opzettelijk
- zijn penis in de vagina van die [slachtoffer01] geduwd en/of gebracht en/of (heen en weer)
bewogen, en/of
- zijn tong in en/of tegen de vagina van die [slachtoffer01] gebracht en/of geduwd en/of
(heen en weer) bewogen, en/of
- zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer01] gebracht en/of geduwd en/of (heen en
weer) bewogen, en/of
- die [slachtoffer01] getongzoend, en/of
- zich laten aftrekken en/of pijpen door de [slachtoffer01] ;