AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling voor oplichting met samenweefsel van verdichtsels en voorwaardelijke gevangenisstraf
De rechtbank Rotterdam heeft verdachte veroordeeld voor oplichting, waarbij hij tussen augustus en december 2012 een samenweefsel van verdichtsels heeft gecreëerd om het bedrijf [bedrijf01] te bewegen tot betaling van €500.000. Verdachte had het oogmerk zichzelf te bevoordelen en heeft het bedrijf misleid met onrealistische financieringsplannen via een Duitse bank.
De rechtbank concludeerde dat verdachte het bedrag van €50.000 bewust heeft achtergehouden en voor eigen gebruik heeft aangewend. Verdachte werd vrijgesproken van medeplegen wegens gebrek aan bewijs voor betrokkenheid van medeverdachten. De straf is een gevangenisstraf van 8 maanden, geheel voorwaardelijk opgelegd vanwege een forse overschrijding van de redelijke termijn van bijna zeven jaar.
De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar civiele vordering wegens reeds bestaande civiele uitspraken. Wel werd een schadevergoedingsmaatregel van €50.000 opgelegd aan verdachte ten behoeve van de benadeelde partij. De rechtbank achtte het feit ernstig vanwege de financiële schade en het geschonden vertrouwen binnen het economische verkeer.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 8 maanden en een schadevergoedingsmaatregel van €50.000 wegens oplichting.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/742078-18
Datum uitspraak: 13 februari 2023
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte01] ,
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres01] te ( [postcode01] ) [plaats01] ,
raadsvrouw mr. P. van Dongen, advocaat te Rotterdam.
1..Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 30 januari 2023.
2..Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3..Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. J. Boender heeft gevorderd:
- vrijspraak van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit.
4..Waardering van het bewijs
4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde feit, omdat het wettig en overtuigend bewijs ontbreekt dat [verdachte01] met zijn handelen daadwerkelijk het oogmerk heeft gehad om zichzelf of anderen wederrechtelijk te bevoordelen.
4.1.2.
Standpunt verdediging
De raadsvrouw heeft eveneens vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat door [verdachte01] geen gebruik is gemaakt van een oplichtingsmiddel. De enkele (achteraf gezien onware) mededeling dat de financiering via een Duitse bank zou lopen, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Er kan evenmin bewezen worden verklaard dat [verdachte01] heeft gehandeld met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening of dat [bedrijf01] is bewogen tot afgifte van € 500.000,- door de mededeling dat de financiering bij een Duitse bank geregeld zou worden.
4.1.3.
Beoordeling
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden, zoals die blijken uit de bewijsmiddelen.
[bedrijf02] (hierna: [bedrijf02] ), vertegenwoordigd door [verdachte01] , heeft op 27 augustus 2012 een overeenkomst gesloten met [bedrijf01] (hierna: [bedrijf01] ), vertegenwoordigd door [naam01] en [naam02] . [verdachte01] had een (minderheids)belang in [bedrijf02] , terwijl zijn toenmalige partner de bestuurder was. De overeenkomst is medeondertekend “als privé persoon” door [medeverdachte01] en door [medeverdachte02] . Zij waren voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst betrokken bij de contacten over het aantrekken van gelden ten behoeve van [bedrijf01] .
Deze overeenkomst houdt onder meer in:
“ In aanmerking nemende
- [bedrijf02] wenst aan [naam03] een geldlening te verstrekken voor de financiering van het project CLOOZUP, waarvan [bedrijf02] reeds een ondernemingsplan van heeft ontvangen.
- [bedrijf02] dient de aan [naam03] te verstrekken geldlening door middel van een door [naam03] te storten borgsom te verkrijgen bij een Duitse bank;
- [bedrijf02] is bereid deze geldleningsovereenkomst met [naam03] aan te gaan onder de navolgende voorwaarden en bedingen.”
Hierop aansluitend is in de overeenkomst opgenomen dat [bedrijf02] uiterlijk op 7 december 2012 € 1.000.000,- en uiterlijk op 30 maart 2013 € 3.600.000,- zal verstrekken; en dat [bedrijf01] uiterlijk op 30 augustus 2012 een borgsom van € 500.000,- betaalt en direct een kostenbedrag van € 300.000 verschuldigd is.
Voorts staat in de overeenkomst (artikel 2, onder 5):
“ [bedrijf02] vermeld schriftelijk aan [naam03] , binnen l maand na bekrachtiging van deze overeenkomst, of de financiering dan wel of niet doorgaat. Indien [bedrijf02] de aan [naam03] te verstrekken lening om welke reden dan ook niet bij de betreffende Duitse bank verkrijgt, zal [bedrijf02] hierna de borgsom en de kosten zoals omschreven in art 2 binnenPro maximaal 5 (zegge: vijf) maanden aan [naam03] terugbetalen.”
Voor de betaling van het totaalbedrag van € 500.000,- is [bedrijf01] op diezelfde dag een lening overeengekomen met [naam04] . [bedrijf01] heeft op 28 augustus 2012 een (totaal)bedrag van
€ 500.000,- aan [bedrijf02] voldaan.
[bedrijf02] , vertegenwoordigd door [verdachte01] , heeft op 3 september 2012 een overeenkomst gesloten met als leningnemers a) [bedrijf03] te [plaats02] , vertegenwoordigd door haar directeur [naam05] , en b) [bedrijf04] te [plaats03], waarvoor [naam06] heeft ondertekend.
De vertaling van deze overeenkomst houdt onder meer in:
“ Preambule
(…) Op dit moment heeft [bedrijf03] de planning van de
projectontwikkeling van het GGSH German-Gulf Hospital in Al Ain / VAE afgerond en bevindt zich in de fase van de voorbereiding van de projectfinanciering voor het geplande GGSH ziekenhuis in Al Ain / VAE.
Terugbetaling dient uiterlijk op 30 december 2012 door leningnemer (1 en 2) aan de
leningverstrekker incl. rente te geschieden.”
In september 2012 heeft [bedrijf01] bericht ontvangen van [bedrijf02] dat [bedrijf01] het (te lenen) bedrag van in totaal € 4.600.000,- niet zal ontvangen.
Het door [bedrijf01] aan [bedrijf02] betaalde bedrag van in totaal € 500.000,- is niet aan haar terugbetaald. [verdachte01] heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat het de bedoeling is geweest in het buitenland, via een (Duitse of Zwitserse) bank, financiering te verkrijgen met behulp van het door [bedrijf01] betaalde bedrag van € 500.000,-, maar dat dit niet is gelukt en dat vervolgens het geïnvesteerde geld ook niet terug is ontvangen, zodat [bedrijf01] niet kan worden terugbetaald.
[bedrijf01] heeft uit de overeenkomst van 27 augustus 2012 voortvloeiende rechten gecedeerd aan [naam04] . [naam04] heeft een civiele procedure ingesteld tegen onder andere [verdachte01] , [medeverdachte01] en [medeverdachte02] . [verdachte01] en [medeverdachte01] hebben in deze procedure verstek laten gaan. Bij vonnis van deze rechtbank van 22 oktober 2014 zijn gedaagden hoofdelijk veroordeeld – [medeverdachte02] op grond van artikel 6:166 BWPro – tot betaling van € 500.000,- vermeerderd met rente en kosten, een en ander uitvoerbaar bij voorraad.
In de zaak van [medeverdachte01] is bij arrest van 6 oktober 2020 van het gerechtshof Den Haag geoordeeld dat de vordering al was verjaard. Het vonnis van de rechtbank is daarbij vernietigd voor zover dat is uitgesproken tussen [naam04] en [medeverdachte01] , en de vordering is alsnog afgewezen.
In de zaak van [medeverdachte02] is in hoger beroep (bij arrest van 29 december 2015) de veroordeling voor wat betreft de hoofdsom van € 500.000,- in stand gelaten. Vervolgens hebben [naam04] en [medeverdachte02] een vaststellingsovereenkomst gesloten, waarbij [medeverdachte02] zich tegen finale kwijting heeft verbonden tot betaling van € 100.000,- aan [naam04] , naast hetgeen [naam04] op dat moment al had ontvangen uit het gelegde loonbeslag (afgerond
€ 25.000,-). Deze vaststellingsovereenkomst is uitgevoerd.
[bedrijf02] en/of [verdachte01] heeft nimmer een (terug)betaling gedaan aan [bedrijf01] of [naam04] .
De hiervoor geschetste initiërende betrokkenheid van [verdachte01] bij enerzijds de overeenkomst met [bedrijf01] en anderzijds de overeenkomst met – en betaling aan – [bedrijf03] leidt de rechtbank tot het oordeel dat door [verdachte01] , met het oogmerk zichzelf en/of een ander te bevoordelen, een ‘samenweefsel van verdichtsels’ als bedoeld in artikel 326 SrPro is gecreëerd, en dat [bedrijf01] daardoor is bewogen tot afgifte van een bedrag van € 500.000,-. Voor dit oordeel zijn ook de volgende omstandigheden redengevend.
a. a) Uit niets blijkt dat [verdachte01] realistische pogingen heeft gedaan financiering te verkrijgen ten behoeve van [bedrijf01] . Hij heeft als verdachte op 27 juni 2016 bij de rechter-commissaris verklaard dat [naam06] en [bedrijf03] de bankcontacten waren in Duitsland, waarvan hij tot dan toe de identiteit niet bekend wilde maken, en dat [bedrijf03] , met daarachter als natuurlijk persoon [naam05] , een contact van [naam06] was. Ter zitting heeft [verdachte01] verklaard dat hij via een relatie een aantal maanden voor het sluiten van de overeenkomst met [naam06] in contact was gekomen, dat hij toen een keer bij hem thuis is geweest en dat hij vertrouwen in [naam06] had omdat genoemde relatie dat ook had. Het gaat hier volgens de eigen verklaring van [verdachte01] dus om nieuwe contacten.
Verder heeft [verdachte01] in het verhoor bij de rechter-commissaris verklaard dat [naam06] bemiddelaar was tussen hem en [naam05] , en de man van het bankprogramma, [naam07] . Met [naam06] heeft hij afgesproken dat geld zou worden onttrokken aan het project van [bedrijf03] in de Verenigde Arabische Emiraten, zodat hij daarmee [bedrijf01] kon financieren, aldus de verklaring. Op de zitting heeft [verdachte01] hierover nader verklaard dat het project van [bedrijf03] een bedrag van € 120.000.000,- besloeg; dat voor het desbetreffende financieringsprogramma nog € 450.000,- nodig was; dat uit het financieringsprogramma van het project van [bedrijf03] € 4.600.000,- beschikbaar zou komen als vergoeding voor kosten/provisie aan [naam06] en dat [naam06] dat geld beschikbaar zou stellen voor de financiering van [bedrijf01] .
De rechtbank acht de haalbaarheid van een financiële constructie met deze onrealistische strekking en inhoud dusdanig gering dat het [verdachte01] tenminste duidelijk moet zijn geweest dat het financieringsplan gedoemd was te mislukken, hetgeen hem ervan had moeten weerhouden de overeenkomst met [bedrijf03] aan te gaan met behulp van van [bedrijf01] verkregen gelden. [verdachte01] heeft daarentegen [bedrijf01] voor wat betreft de risico’s steeds gerustgesteld, hetgeen als ‘tegen beter weten in’ moet worden beschouwd.
b) [bedrijf02] is steeds vertegenwoordigd geweest door [verdachte01] , die als verdachte bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij aanneemt dat hij als enige bevoegd was tot het doen van betalingen van de rekening van [bedrijf02] . Van het door [bedrijf01] ontvangen bedrag van € 500.000,- is door [bedrijf02] in totaal (slechts) € 450.000,- overgemaakt aan [bedrijf03] . Uit de verklaringen van getuigen [getuige01] , [getuige02] en [getuige03] volgt dat zij er van uitgingen dat het gehele bedrag van € 500.000,- overgemaakt zou worden aan een buitenlandse bank ten behoeve van de verkrijging van een financiering van € 4.600.000,-. Noch uit de schriftelijke overeenkomst, noch uit de eigen verklaringen van [verdachte01] blijkt dat hij/ [bedrijf02] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst [bedrijf01] en/of de andere betrokkenen er op heeft gewezen dat een deel van het bedrag van € 500.000,- , te weten € 50.000,-, niet zou worden doorbetaald ten behoeve van genoemde financiering maar aan [bedrijf02] zou worden betaald als provisie. Op de zitting heeft [verdachte01] hierover verklaard dat dit vanwege kosten is achtergebleven bij [bedrijf02] , dat hij hierover uitsluitend met [naam06] heeft gesproken en niet met [bedrijf01] en/of betrokkenen aan die zijde; dat die kosten zijn gemaakt om een aantal keer naar Zwitserland te gaan; en dat uit het bedrag salaris voor hemzelf is betaald. Uit de verklaring van [naam06] volgt dat [naam06] niet op de hoogte was van het feit dat [bedrijf02] € 50.000,- zou krijgen als provisie.
Uit deze feitelijke gang van zaken volgt dat sprake is geweest van bevoordeling van [verdachte01] en dat hij al bij het aangaan van de overeenkomst het oogmerk hierop heeft gehad. Het bedrag van € 50.000,- is zonder enige afspraak daarover met [bedrijf01] bewust achtergehouden en ten eigen bate aangewend. Nog daargelaten dat ook over eventueel gemaakte kosten geen afspraken zijn gemaakt met [bedrijf01] , blijkt niet van meer dan ondergeschikte uitgaven. Op de zitting heeft [verdachte01] bevestigd dat hij, toen duidelijk werd dat de financiering niet los zou komen, niets van het in [bedrijf02] achtergehouden bedrag heeft terugbetaald aan [bedrijf01] .
Of, dan wel in hoeverre, [verdachte01] verder is bevoordeeld door de betaling van € 500.000,- door [bedrijf01] , is in deze strafzaak niet duidelijk geworden. Niet uit te sluiten valt dat anderen ( [bedrijf03] / [naam06] / [naam07] ) zijn bevoordeeld, maar daarvoor geldt dat niet kan worden vastgesteld dat [verdachte01] daarop het oogmerk heeft gehad.
Het medeplegen is niet bewezen, omdat wat betreft [medeverdachte02] en [medeverdachte01] geldt dat er geen aanwijzingen zijn, laat staan bewijs, dat zij inhoudelijke bemoeienis hebben gehad met de besprekingen met [bedrijf03] ( [naam05] ) / [naam06] / [naam07] , en/of met de totstandkoming van de overeenkomst tussen [bedrijf02] en [bedrijf03] / [bedrijf04] . Niet in discussie is dat [verdachte01] hen zelfs niet heeft verteld via welke buitenlandse contacten of bank de financiering ten behoeve van [bedrijf01] zou moeten worden verkregen. Van het voor medeplegen van oplichting vereiste opzet is daarom niet gebleken. Zij zullen (heden) worden vrijgesproken.
4.1.4.
Conclusie
Het primair ten laste gelegde feit is wettig en overtuigend bewezen.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de [verdachte01] het primair ten laste gelegde feit heeft begaan op die wijze dat:
hij
in de periode van 27 augustus 2012 tot en met 31 december 2012
te Ouddorp ZH, binnen de gemeente Goeree-Overflakkee, althans in Nederland,met het oogmerk om zich te bevoordelen door een samenweefsel van verdichtsels,
[bedrijf01] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 500.000,00
euro, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk -
zakelijk weergegeven- in strijd met de waarheid,
- die [bedrijf01] meermalen voorgehouden dat zij een lening voor een
geldbedrag van in totaal 4.600.000,00 euro, (uitgekeerd in twee termijnen)
kon(den) regelen via of bij een bank in Duitsland en dat [bedrijf01] daartoe
een borgbedrag van 500.000,00 euro op het rekeningnummer van [bedrijf02] moest
storten,
- die [bedrijf01] verzekerd dat de financiering van voornoemde geldlening
voor 99,9999 % vast stond,
- die [bedrijf01] voorgehouden en verzekerd dat het eerste deel van de
financiering, (te weten een geldbedrag van 1.000.000,00 euro), bevestigd was
en uiterlijk december 2012 door [bedrijf01] zou worden ontvangen en
- die [bedrijf01] voorgehouden dat indien voornoemde financiering niet rond
zou komen, zij het borgbedrag ad 500.000,00 euro teruggestort zou krijgen,
waardoor [bedrijf01] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte,
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. [verdachte01] moet daarvan worden vrijgesproken.
5..Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op: oplichting.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6..Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van [verdachte01] uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
7..Motivering straf
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan [verdachte01] wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van [verdachte01] . Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
[verdachte01] heeft zich schuldig gemaakt aan oplichting van het bedrijf [bedrijf01] en heeft door een samenweefsel van verdichtsels het bedrijf bewogen tot afgifte van een geldbedrag van € 500.000,-. [verdachte01] heeft hiermee het bedrijf financieel ernstig benadeeld en het vertrouwen dat binnen het economische verkeer noodzakelijk is, beschaamd. Getuige de verschillende civielrechtelijke procedures is zeer veel tijd en geld besteed aan pogingen om de geleden schade te verhalen, waarbij nog steeds maar een deel van de schade is vergoed. [verdachte01] heeft een bedrag van € 50.000,- van het van [bedrijf01] ontvangen geld binnen zijn eigen bedrijf gehouden en zich hiermee bevoordeeld. Kennelijk heeft hij de overeenkomst slechts voor eigen financieel voordeel gesloten. Dit is een ernstig strafbaar feit.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennis genomen van een uittreksel uit de justitiële documentatie van 11 januari 2023, waaruit blijkt dat [verdachte01] niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd en de richtlijnen van het Openbaar Ministerie. De gevangenisstraffen voor een dergelijk feit liggen in zijn algemeenheid tussen de 6 tot 12 maanden onvoorwaardelijk.
Bij de berechting van een zaak waarbij geen sprake is van bijzondere omstandigheden, heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van de zaak dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar na aanvang van de redelijke termijn. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat [verdachte01] in redelijkheid de verwachting kan hebben gekregen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Op 31 maart 2014 heeft het gerechtshof Den Haag het beklag in de procedure op grond van artikel 12 vanPro het Wetboek van Strafvordering gegrond verklaard. Vanaf dat moment kon [verdachte01] de verwachting hebben dat tegen hem strafvervolging zou worden ingesteld. Op deze datum is de redelijke termijn derhalve aangevangen.
Naar het oordeel van de rechtbank is er in deze zaak geen sprake van bijzondere omstandigheden als hiervoor bedoeld.
Tussen 31 maart 2014 en de datum van het eindvonnis ligt een periode van bijna negen jaar. Nu in deze zaak, zoals hiervoor is overwogen, wordt uitgegaan van een redelijke termijn van twee jaar, is er in de onderhavige zaak sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) van bijna zeven jaar. Nu deze zeer forse overschrijding niet is toe te rekenen aan [verdachte01] , dient dit gecompenseerd te worden.
In het geval de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, zou de rechtbank een gevangenisstraf hebben opgelegd voor de duur van 8 maanden onvoorwaardelijk. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank ter compensatie de gevangenisstraf geheel voorwaardelijk opleggen.
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd [benadeelde partij01] ter zake van het ten laste gelegde feit. De benadeelde partij vordert, na wijziging van de vordering, een vergoeding van € 342.806,56 aan materiële schade en een vergoeding van € 45.900,- aan advocaatkosten.
8.1.
Standpunt officier van justitie en verdediging
De officier van justitie en de verdediging hebben primair geconcludeerd tot de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering, gelet op de gevorderde vrijspraak en subsidiair tot de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in haar vordering, omdat er een civiele titel voor de vordering is, die geëxecuteerd kan worden.
8.2.
Beoordeling
De benadeelde partij zal in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, nu over de vordering al is beslist door de civiele rechter en die beslissing, met inbegrip van de kostenveroordeling, gezag van gewijsde heeft.
8.3.
Conclusie
In deze procedure wordt over de gevorderde schadevergoeding geen inhoudelijke beslissing genomen.
8.4.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet wel voldoende aanleiding en belang om [verdachte01] de schadevergoedingsmaatregel op te leggen voor een bedrag van € 50.000,-, nu [naam04] schade lijdt door de oplichting en [verdachte01] zichzelf (tenminste) met dit bedrag bevoordeeld heeft.
9..Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 326 van het Wetboek van Strafrecht.
10.. Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
11.. Beslissing
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 3 (drie) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij01] niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoedingop, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [benadeelde partij01] te betalen € 50.000,-(hoofdsom, zegge: vijftigduizend euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 augustus 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van
€ 50.000,-niet mogelijk blijkt, gijzelingkan worden toegepast voor de duur van maximaal 285 (tweehonderdvijfentachtig) dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans, voorzitter,
en mrs. N. Freese en N. Ketelaar, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. M. van der Hoeff, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De jongste en oudste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij
in of omstreeks de periode van 27 augustus 2012 tot en met 31 december 2012
te Ouddorp ZH, binnen de gemeente Goeree-Overflakkee, althans in Nederland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door
het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door
listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels,
[bedrijf01] heeft bewogen tot de afgifte van een geldbedrag van 500.000,00
euro, althans enig geldbedrag, in elk geval enig goed,
hebbende verdachte en/of zijn mededader(s) met vorenomschreven oogmerk -
zakelijk weergegeven- valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in
strijd met de waarheid,
- die [bedrijf01] meermalen voorgehouden dat zij een lening voor een
geldbedrag van in totaal 4.600.000,00 euro, (uitgekeerd in twee termijnen)
kon(den) regelen via of bij een bank in Duitsland en/of dat [bedrijf01] daartoe
een borgbedrag van 500.000,00 euro op het rekeningnummer van [bedrijf02] moest
storten,
- die [bedrijf01] verzekerd dat de financiering van voornoemde geldlening
voor 99,9999 % vast stond,
- die [bedrijf01] voorgehouden en/of verzekerd dat het eerste deel van de
financiering, (te weten een geldbedrag van 1.000.000,00 euro), bevestigd was
en uiterlijk december 2012 door [bedrijf01] zou worden ontvangen en/of
- die [bedrijf01] voorgehouden dat indien voornoemde financiering niet rond
zou komen , zij het borgbedrag ad 500.000,00 euro teruggestort zou krijgen,
waardoor [bedrijf01] werd bewogen tot bovenomschreven afgifte;