De rechtbank Rotterdam behandelde op 4 oktober 2023 een zaak betreffende de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van €18.470,-. De officier van justitie vorderde dit bedrag op grond van artikel 36e Sr, gebaseerd op een kasopstelling die een verschil tussen contante uitgaven en legale ontvangsten vaststelde. De veroordeelde verklaarde tijdens de zitting dat contante stortingen op zijn rekening afkomstig waren van legale transacties, waaronder spaargeld dat hij al voor de onderzoeksperiode had opgebouwd.
Tijdens beraadslaging bleek dat het onderzoek niet volledig was, omdat deze verklaring niet was meegenomen en het dossier geen aanknopingspunten bevatte om deze te beoordelen. Daarom besloot de rechtbank het onderzoek te heropenen en een schriftelijke ronde te houden waarin zowel de officier van justitie als de verdediging hun standpunten kunnen onderbouwen.
De rechtbank stelde termijnen vast voor het indienen van conclusies van antwoord en repliek, met strikte naleving vanwege proceseconomische redenen. Tevens werd bepaald dat de zitting zal worden hervat op een nader te bepalen datum, waarbij de veroordeelde en zijn raadsman tijdig zullen worden opgeroepen.
Deze tussenbeslissing betreft geen inhoudelijke uitspraak over het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, maar een procedurele maatregel om het onderzoek te completeren.