Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
1.De procedure
- verzoeker;
- mevrouw [naam01] , werkzaam bij de Kredietbank Rotterdam (hierna: schuldhulpverlening);
- mevrouw [schuldeiser01] , schuldeiser;
- mevrouw [naam02] , moeder van schuldeiser,
Rechtbank Rotterdam
Verzoeker heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287a lid 1 Faillissementswet om een schuldeiser te bevelen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. De regeling voorzag in een betaling van circa 26,9% aan preferente en 13,4% aan concurrente schuldeisers, gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoeker, die een PW-uitkering ontvangt en een opleiding volgt.
Vijf schuldeisers stemden in met het aanbod, maar één schuldeiser, met een vordering van € 2.442,38, weigerde mee te werken. Deze schuldeiser voerde aan dat het aanbod niet goed was gedocumenteerd, dat niet alle schulden waren meegenomen, waaronder een aanzienlijke schuld van circa € 33.000 uit een eerder huwelijk, en dat er onvoldoende vertrouwen was in de inspanningen van verzoeker.
De rechtbank oordeelde dat het aanbod niet controleerbaar was en dat de schuldenlast mogelijk hoger is dan vermeld. Verzoeker kon niet uitsluitsel geven over andere schuldeisers. Hierdoor kon niet met zekerheid worden vastgesteld of het aanbod op juiste uitgangspunten was gebaseerd. De belangen van de weigeraar wegen zwaarder dan die van verzoeker en de overige schuldeisers.
Daarom werd het verzoek tot gedwongen schuldregeling afgewezen. De rechtbank zal in een aparte beslissing het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling behandelen.
Uitkomst: Het verzoek tot gedwongen schuldregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende documentatie en onduidelijke schuldenlast.