ECLI:NL:RBROT:2023:1052

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 februari 2023
Publicatiedatum
15 februari 2023
Zaaknummer
10-011954-23
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Beslissing RC
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 138aa SrArt. 47 lid 1 SrArt. 67 SvArt. 67a lid 2 SvArt. 67a lid 3 Sv
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot inbewaringstelling wegens recidive op haventerrein

De rechtbank Rotterdam heeft op 14 februari 2023 uitspraak gedaan in hoger beroep tegen de beschikking van de rechter-commissaris die de vordering tot inbewaringstelling van verdachte gedeeltelijk had afgewezen. Verdachte werd verdacht van het illegaal betreden van een afgesloten haventerrein, strafbaar gesteld onder art. 138aa Sr. De officier van justitie was tegen de afwijzing in hoger beroep gekomen.

De rechtbank stelde vast dat verdachte geen first offender is, aangezien hij eind december 2022 al onder soortgelijke omstandigheden op een afgesloten haventerrein werd aangetroffen. Verdachte gaf geen inhoudelijke verklaring of rechtvaardigingsgrond voor zijn aanwezigheid. De rechtbank oordeelde dat er ernstige bezwaren bestaan en dat het recidivegevaar, zoals bedoeld in art. 67a lid 2 onder 2 Sv., aanwezig is.

De rechtbank vond dat de belangen van de verdachte onvoldoende onderbouwd waren om de voorlopige hechtenis te schorsen en wees het hoger beroep van de officier van justitie toe. De beschikking van de rechter-commissaris werd vernietigd en de vordering tot inbewaringstelling werd alsnog toegewezen voor een periode van veertien dagen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot inbewaringstelling toe en beveelt voorlopige hechtenis voor veertien dagen wegens recidive op een afgesloten haventerrein.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM-2-

Strafrecht
Zittingsplaats Rotterdam
parketnummer : 10-011954-23
beslissing op hoger beroep tegen beschikking van de rechter-commissaris van de raadkamer d.d. 14 februari 2023
in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte01] ,

geboren op [geboortedatum01] 2000 te [geboorteplaats01] ,
inschrijvingsadres in de Basisregistratie Personen:
[adres01] , [postcode01] [plaats01] .
Raadsman mr. L.A.R. Newoor.

Procedure

De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 13 januari 2023 de vordering van de officier van justitie tot inbewaringstelling van de verdachte gedeeltelijk afgewezen. De officier van justitie is op 16 januari 2023 in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking, voor zover daarbij de vordering is afgewezen.
De rechtbank heeft de stukken gezien, waaronder de beschikking van de rechter-commissaris en de appelmemorie van de officier van justitie.
De rechtbank heeft in raadkamer van heden de officier van justitie en de raadsman, mr. Newoor gehoord. Verdachte is, hoewel tijdig opnieuw en thans deugdelijk opgeroepen per aangetekende brief, niet verschenen.
De rechter-commissaris heeft bij beschikking van 13 januari 2023 de vordering van de
officier van justitie tot inbewaringstelling van de verdachte afgewezen. De officier van
justitie is op 16 januari 2023 in hoger beroep gekomen tegen deze beschikking, voor zover
daarbij de vordering is afgewezen.
De rechtbank heeft de stukken gezien, waaronder de beschikking van de rechter
commissaris en de appelmemorie van de officier van justitie.

Beoordeling

Gevallen waarin de voorlopige hechtenis kan worden bevolen
De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de verdachte de verdenking is gerezen dat
verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan feiten waarvoor de voorlopige hechtenis is
toegelaten, te weten feiten als omschreven in navolgende wetsartikelen:
art. 138aa lid I. 138aa lid 3 ahf/ond b, art. 47 lid 1 ahf Pro/sub 1 Sr.
De ernstige bezwaren
Uit de inhoud van het strafdossier blijkt van ernstige bezwaren tegen de verdachte ten
aanzien van het feit zoals vermeld in de vordering tot inbewaringstelling.
Motivering:
De strafbaarstelling van art. 138aa Sr. is door de wetgever ingevoerd in het kader van het
streven van de overheid om -in bredere zin- de strafrechtelijke aanpak van ondermijnende
criminaliteit (duidelijk) te versterken. De problematiek rond de uithalers is in dit breder
kader meegenomen en is vertaald in een duidelijk verscherpte strafrechtelijke aanpak van
het illegaal betreden van o.a. haventerreinen. Vertrekpunt was de strafbaarstelling van dit
gedrag als een verzwaarde vorm van erfvredebreuk op bepaalde plaatsen; plaatsen waar dat
door de wetgever als extra ongewenst en gevaarzettend is geoordeeld.
Het strafmaximum is flink omhoog gegaan ten opzicht van, bij voorbeeld, de overtreding
van art. 461 Sr Pro., het zich begeven op verboden terrein. In plaats van een geldboete, die in de
praktijk veelal neerkwam op een geldboete van € 95,- is de maximale straf van het misdrijf
art. I38aa Sr. maximaal één jaar gevangenisstraf voor het enkele aanwezig zijn op een van
de in de wet omschreven (bedrijfsterreinen/vervoersknooppunten. De maximale
gevangenisstraf bedraagt twee jaar gevangenisstraf indien bepaalde strafverzwarende
omstandigheden aanwezig zijn. De wet kent een verdere strafverzwaring met een derde
onder in de wet nader aangegeven verdere omstandigheden. Bij dit alles heeft de wetgever
de nieuwe strafbepaling opgenomen in art. 67 Sv Pro., zodat voorlopige hechtenis toegepast kan
worden. Ook dit beschouwt de rechtbank als een aanwijzing dat de wetgever een duidelijk
verscherpte wijze van afdoening van deze vorm van criminaliteit voorstaat.
Dit kader maakt dat verdachten tegen wie ernstige bezwaren bestaan ter zake art. 138aa Sr
anders en (veel) strenger kunnen worden aangepakt dan voorafgaand aan de invoering van
deze nieuwe wetsbepaling.
Het gerechtshof heeft in een aantal samenhangende arresten aangegeven dat bij first
offenders, in beginsel een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf uitgangspunten
van straftoemeting zijn. En dat bij (vormen van) recidive een onvoorwaardelijke
gevangenisstraf het uitgangspunt zal (moeten) zijn. Voorshands is dit voor de Rotterdamse
rechtbank daarmee (ook) het uitgangspunt.
Verdachte is echter geen first offender, aangezien vast staat dat hij eind december 2022 onder min of meer identieke omstandigheden is aangetroffen op een afgesloten haventerrein waarop art. 138aa Sr. van toepassing is. Voor zijn aanwezigheid heeft verdachte geen enkele inhoudelijke verklaring gegeven, laat staan een rechtvaardigingsgrond.
Gelet op het bovenstaande is art. 67a lid 3 Sv op dit moment nog niet aan de orde
Anders dan de rechter-commissaris, is de rechtbank van oordeel dat de vordering tot
inbewaringstelling van de verdachte moet worden toegewezen. De dragende grond is
recidivegevaar als omschreven in art. 67a lid 2 onder 2 Sv., meer in het bijzonder dat het
gaat om misdrijven waardoor de gezondheid of veiligheid van personen in gevaar kan
worden gebracht.
Het verzoek tot schorsing van de voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft de nauwelijks onderbouwde persoonlijke belangen van de verdachte
afgewogen tegen het strafvorderlijk belang dat met voortduring van de voorlopige hechtenis
is gediend. Deze afweging valt op dit moment uit in het nadeel van de verdachte.

Beslissing

De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond en vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris waarvan beroep;
wijst alsnog toe de vordering tot inbewaringstelling van de verdachte;
verleent alsnog een bevel tot bewaring tegen de verdachte voor een termijn van veertien dagen;
Deze beslissing is gegeven in raadkamer van deze rechtbank op 14 februari 2023 door:
mr. W.A.F. Damen, voorzitter,
mr. L.J.M. Janssen en M.M. Dolman, rechters,
in tegenwoordigheid van W.A. Gruisen, griffier.