Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1.MR. [verweerder01] ,
MR. [verweerder02],
MR. [verweerder03],
1.De procedure
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift van arbiters;
- de mondelinge behandeling;
- de pleitnota van BSO.
Rechtbank Rotterdam
BSO, een rechtspersoon naar buitenlands recht, heeft bij de rechtbank Rotterdam een verzoek tot wraking van arbiters ingediend in een arbitrageprocedure die wordt beheerd door UNUM te Rotterdam. De arbiters hadden een partial award uitgesproken waarin BSO in het ongelijk werd gesteld. Vervolgens maakten de arbiters een mededeling over hun betrokkenheid bij andere procedures, waarna BSO wraking instelde wegens vermeende schijn van partijdigheid.
De arbiters stelden zich op het standpunt dat BSO niet-ontvankelijk was vanwege het overschrijden van de wrakingstermijn van twee weken zoals vermeld in het arbitragereglement. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat het reglement onduidelijk is over welke termijn uit artikel 1035 Rv Pro wordt bedoeld en achtte het onredelijk om BSO, gevestigd in het buitenland, aan een verkorte termijn te houden. Hierdoor werd BSO ontvankelijk verklaard.
De rechtbank beoordeelde vervolgens de inhoudelijke gronden voor wraking. De mededeling van de arbiters over hun contacten met mr. Derksen en zijn kantoor in andere procedures werd niet als aanleiding gezien voor gerechtvaardigde twijfel aan onpartijdigheid. Ook het tijdstip van de mededeling, na de partial award, vormde geen grond voor wraking. De voorzieningenrechter sloot aan bij de IBA Guidelines on Conflict of Interests en concludeerde dat geen concrete feiten of omstandigheden waren gesteld die wraking rechtvaardigen.
Ten slotte wees de voorzieningenrechter het verzoek af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling van BSO, waarbij werd opgemerkt dat de arbiters hun vergoeding in de arbitrageprocedure kunnen claimen.
Uitkomst: Het verzoek tot wraking van de arbiters wordt afgewezen wegens ontbreken van gerechtvaardigde twijfel aan onpartijdigheid.