Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- het vonnis in incident van 20 mei 2022, met de daaraan ten grondslag liggende stukken;
- de brief van 20 juni 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
2..De feiten
3. De beslissing
Rechtbank Rotterdam
Partijen hadden een affectieve relatie en waren gezamenlijk huurder van een woning. Na beëindiging van de huurovereenkomst ontstond een geschil over de verdeling van betaalde huurkosten.
De eiser stelde dat hij tussen juni 2018 en oktober 2020 €27.568,42 aan huur en kosten had voldaan en dat de gedaagde op grond van draagplicht de helft daarvan aan hem moest vergoeden. De gedaagde betwistte het totaalbedrag en stelde dat zij contant haar deel aan de eiser had gegeven, wat hij vervolgens op zijn bankrekening had gestort en aan de verhuurder had betaald.
De kantonrechter analyseerde de bankafschriften en contante betalingen en concludeerde dat niet kon worden vastgesteld dat de gedaagde maandelijks contante bedragen aan de eiser had gegeven die volledig op diens rekening waren gestort. Na verrekening van reeds betaalde bedragen aan verhuurder en deurwaarder werd de gedaagde veroordeeld tot betaling van €6.261,69 aan de eiser met wettelijke rente. Proceskosten werden gecompenseerd vanwege het deels gelijk krijgen van partijen en hun affectieve relatie.
Uitkomst: De gedaagde is veroordeeld tot betaling van €6.261,69 met wettelijke rente aan de eiser en proceskosten zijn gecompenseerd.