Verzoekster heeft een verzoek ingediend op grond van artikel 287b Faillissementswet om een voorlopige voorziening te treffen die de ontruiming van haar woonruimte opschort. Zij staat sinds augustus 2022 onder beschermingsbewind en heeft een plan van aanpak voor schuldhulpverlening, waarbij haar vaste lasten inmiddels worden voldaan. Verweerster stelt dat verzoekster onvoldoende aflost en niet aan afspraken voldoet, maar de rechtbank acht dit niet relevant voor de voorlopige voorziening.
De rechtbank beoordeelt dat sprake is van een bedreigende situatie vanwege een dreigende ontruiming en dat het belang van verzoekster om in haar woning te kunnen blijven en het minnelijk schuldhulpverleningstraject te doorlopen zwaarder weegt dan het belang van verweerster om het vonnis uit te voeren. De lopende termijnen worden naar het oordeel van de rechtbank voldoende voldaan.
De voorlopige voorziening wordt voor zes maanden toegekend onder de voorwaarde dat de termijnen tijdig worden betaald. Tevens wordt verzoekster niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, met de mogelijkheid om later een nieuw verzoek in te dienen.