ECLI:NL:RBROT:2022:8266

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
20 september 2022
Publicatiedatum
5 oktober 2022
Zaaknummer
10-244000-21
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor het in vereniging aanwezig hebben van 1006,9 gram cocaïne met gevangenisstraf en verbeurdverklaring

In deze zaak heeft de Rechtbank Rotterdam op 20 september 2022 uitspraak gedaan in de strafzaak tegen de verdachte, die beschuldigd werd van het in vereniging aanwezig hebben van 1006,9 gram cocaïne. De verdachte, die niet ingeschreven stond in de basisregistratie, werd bijgestaan door raadsman mr. H. Raza. Tijdens de zitting op 6 september 2022 werd het bewijs gepresenteerd, waaronder een anonieme tip die leidde tot een politieonderzoek naar een drugspand. Verbalisanten hebben waargenomen dat de verdachte en medeverdachten zich verdacht gedroegen en hebben vervolgens de woningen betreden waar een grote hoeveelheid verdovende middelen werd aangetroffen.

De officier van justitie, mr. H. van Galen, eiste bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en een gevangenisstraf van 200 dagen, waarvan 31 dagen voorwaardelijk. De verdediging stelde dat de verdachte niet de beschikking had over de drugs, maar de rechtbank oordeelde dat de verdachte wel degelijk wetenschap en beschikkingsmacht had over de cocaïne, gezien zijn gedrag en de omstandigheden van de zaak. De rechtbank concludeerde dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne en legde een gevangenisstraf op van 200 dagen, waarvan 31 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar. Daarnaast werd het in beslag genomen geld van € 17.900,00 verbeurd verklaard.

De rechtbank overwoog dat de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het was begaan, een zware straf rechtvaardigden. De verdachte had zich schuldig gemaakt aan het bezit van een aanzienlijke hoeveelheid cocaïne, wat een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid vormt. De rechtbank hield rekening met het strafblad van de verdachte, waaruit bleek dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer voor strafzaken, en het vonnis werd openbaar uitgesproken.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team straf 3
Parketnummer: 10-244000-21
Datum uitspraak: 20 september 2022
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[naam verdachte],
geboren te [geboorteplaats verdachte] op [geboortedatum verdachte],
niet ingeschreven in de basisregistratie personen in Nederland,
raadsman mr. H. Raza, advocaat te Rotterdam.

1..Onderzoek op de terechtzitting

Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 6 september 2022.

2..Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3..Eis officier van justitie

De officier van justitie mr. H. van Galen heeft gevorderd:
  • bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit, te weten het aanwezig hebben van cocaïne;
  • veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 200 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 31 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar;
  • ter beschikking stelling van de in beslag genomen geldbedragen aan de rechthebbende.

4..Waardering van het bewijs

4.1.
Bewijswaardering
4.1.1.
Inleiding
Op 10 september 2021 hebben verbalisanten post gevat op de [straatnaam 1] te [plaatsnaam]. Zij hebben van de wijkagent een anonieme tip ontvangen dat aldaar een drugspand zou worden gerund. Naar aanleiding daarvan hebben zij een onderzoek ingesteld. Terwijl verbalisanten postten, hebben zij diverse bewegingen gezien tussen verschillende woningen aan de [straatnaam 1] en aan [straatnaam 2]. Gelet op de waarnemingen kregen verbalisanten het vermoeden dat er in de woning gelegen aan de [adres 1] een vermoedelijke overdracht van verdovende middelen had plaatsgevonden. Er is vervolgens besloten om de woningen gelegen aan de [adres 2], de [adres 3] en [adres 4] te betreden. Op het moment dat verbalisanten de woning gelegen aan [adres 4] wilden betreden, hoorden zij glasgerinkel en vluchtten er drie mannen uit de woning. Later bleken dit de verdachte samen met medeverdachten [naam medeverdachte 3] en [naam medeverdachte 2] te zijn.
In alle drie de panden is een grote hoeveelheid vermoedelijk verdovende middelen aangetroffen. Een deel hiervan is na een indicatieve test doorgezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut (hierna: NFI). Uit het onderzoek van het NFI is gebleken dat de middelen die op de bank in de woning gelegen aan [adres 4] zijn aangetroffen 1006,9 gram cocaïne betreft.
4.1.2.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Het zou weliswaar kunnen zijn dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de verdovende middelen, maar hij heeft hier geen beschikkingsmacht over gehad. Om die reden moet de verdachte worden vrijgesproken.
4.1.3.
Beoordeling door de rechtbank
Aanwezig hebben cocaïne
Voor een bewezenverklaring van “aanwezig hebben” als bedoeld in de Opiumwet is vereist dat de verdachte wist van de aanwezigheid van de drugs en dat deze zich bovendien in zijn machtssfeer bevonden. Met dat laatste wordt bedoeld dat de verdachte in enigerlei mate kon bepalen wat er met die drugs zou gebeuren, oftewel dat hij er enige zeggenschap over had.
Wetenschap
Verbalisanten hebben gerelateerd dat zij een sterke chemische lucht roken toen zij het pand aan de [adres 4] binnenkwamen, waardoor het onmogelijk is dat als je je in de woning bevindt of dat je hier bent geweest, geen kennis draagt van deze stoffen. De verdachte bevond zich op het moment dat de politie de woning wilde betreden in de woning. De rechtbank verbindt hier de conclusie aan dat – gelet op de chemische geur en de hoeveelheid aan verdovende middelen die open en bloot in de woning lagen – de verdachte wetenschap heeft gehad van de aanwezige cocaïne.
Beschikkingsmacht
De rechtbank dient vervolgens de vraag te beantwoorden of de verdachte ook de beschikkingsmacht heeft gehad over deze verdovende middelen. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
De postende verbalisanten hebben gezien dat medeverdachte [naam medeverdachte 1] omstreeks 10:45 uur de portiek aan de [adres 1] uit kwam lopen. Op [straatnaam 2] voegde de verdachte zich bij [naam medeverdachte 1]. De verdachte ging vervolgens samen met de medeverdachte de woning gelegen aan de [adres 3] binnen. Omstreeks 10:52 uur liepen verdachte en medeverdachte [naam medeverdachte 1] dit portiek weer uit. De verdachte droeg hierbij een witkleurige tas, waarvan de verbalisanten hebben gerelateerd dat deze gevuld en zwaar leek. Beide mannen liepen over de [straatnaam 1] weg in de richting van de [straatnaam 3]. Vervolgens hebben de verbalisanten gezien dat de beide mannen weer de portiek met nummer [nummer] naar binnen gingen. Omstreeks 11:29 uur hebben de verbalisanten gezien dat de verdachte dit portiek weer verliet. Omstreeks 12:28 ging de verdachte de portiek van de [adres 1] weer naar binnen. Kort daarvoor was een andere man dit portiek binnen gegaan. Omstreeks 12:34 uur verliet de verdachte de portiek weer. Hierbij had hij een gevulde boodschappentas in zijn hand en liep hij in de richting van [straatnaam 2]. Vervolgens ging de verdachte de woning gelegen aan [adres 4] binnen. Dit betreft de woning waar de verdachte samen met medeverdachten [naam medeverdachte 2] en [naam medeverdachte 3] uit is gevlucht op het moment dat de politie deze woning wilde betreden.
Vast staat dat de woning gelegen aan [adres 4] op dat moment in gebruik was bij medeverdachte [naam medeverdachte 2]. Gelet op hetgeen in de woning is aangetroffen, stelt de rechtbank vast dat het om een versnijdingspand gaat. Nu medeverdachte [naam medeverdachte 2] op dit moment de woning in gebruik had, staat hiermee vast dat hij als gebruiker van de woning zowel wetenschap als beschikkingsmacht over de verdovende middelen heeft gehad. De verdachte is (met een tas) op en neergelopen tussen de panden gelegen aan de [adres 1] en [adres 5] en de woning gelegen aan [adres 4]. De verdachte had dan ook een taak in het vervoer en het overbrengen van de tassen met verdovende middelen of het geld. De rechtbank constateert dat er daarmee sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen hemzelf en in elk geval de medeverdachte [naam medeverdachte 2]. Nu in elk geval de medeverdachte [naam medeverdachte 2] beschikkingsmacht heeft gehad over de verdovende middelen, heeft de verdachte tezamen en in vereniging met [naam medeverdachte 2] de beschikkingsmacht gehad.
4.1.4.
Conclusie
Bewezen is dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander schuldig heeft gemaakt aan het opzettelijk aanwezig hebben van ongeveer 1 kilo cocaïne.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 10 september 2021 te [plaatsnaam] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in de woning aan [adres 4])
1006,9gram cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

5..Strafbaarheid feit

Het bewezen feit levert op:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.

6..Strafbaarheid verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

7..Motivering straf

7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het bezit van 1006,9 gram cocaïne. De drugs zijn aangetroffen in een versnijdingspand dat bij de medeverdachte [naam medeverdachte 2] in gebruik was. De verdachte is, in de tijd dat verbalisanten de panden observeerden, meerdere malen op en neergelopen tussen verschillende panden, al dan niet met tassen. De verdachte heeft daarmee vermoedelijk zorg gedragen voor transport van voorwerpen, de verdovende middelen en/of het geld tussen dit versnijdingspand en de overige panden. Dit is een ernstig feit. Harddrugs zoals cocaïne bevatten stoffen die schadelijk zijn voor de volksgezondheid en zijn erg verslavend. Zij vormen daardoor een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. Daarnaast wordt met de handel in cocaïne veel geld verdiend en gaat deze handel gepaard met vele vormen van criminaliteit. Ter bestrijding van deze criminaliteit staan er flinke straffen op het aanwezig hebben van cocaïne.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 augustus 2022, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
7.4.
Conclusies van de rechtbank
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken plegen te worden opgelegd. Met de officier van justitie en de verdediging is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest passend en geboden is.
Gelet op de ernst van het feit, zal de rechtbank bovendien een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen. Dit voorwaardelijk strafdeel dient ertoe de verdachte ervan te weerhouden in de toekomst opnieuw strafbare feiten te plegen.
Alles afwegend acht de rechtbank de hierna te noemen straffen, waaronder de hieronder besproken verbeurdverklaring, passend en geboden.

8..In beslag genomen voorwerpen

8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen geld terug te geven aan de rechthebbende.
8.2.
Beoordeling
Het geldbedrag is geheel of grotendeels verkregen door middel van het bewezen feit. Het in beslag genomen geldbedrag van € 17.900,00 zal worden verbeurd verklaard.

9..Toepasselijke wettelijke voorschriften

Gelet is op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet.

10.. Bijlagen

De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.

11..Beslissing

De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstraf voor de duur van 200 (tweehonderd) dagen;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot
31 (eenendertig)dagen niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde:
de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
beslist ten aanzien van de voorwerpen, geplaatst op de lijst van inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, dat het onder omschrijving: “IBG: 10-9-2021, GN: 6273197” in beslag genomen bedrag van € 17.900,00 verbeurd verklaard wordt als bijkomende straf;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte, die bij eerdere beslissing is geschorst.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van der Leeden, voorzitter,
en mrs. J.L.M. Boek en S. Kooij, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. F.H. Frerichs, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 10 september 2021 te [plaatsnaam] tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad (in de woning aan [adres 4]) ongeveer 5545 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst.