ECLI:NL:RBROT:2022:7979

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
15 september 2022
Publicatiedatum
26 september 2022
Zaaknummer
ROT 22/1580
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Vereenvoudigde behandeling
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig betaling griffierecht en onvoldoende onderbouwing betalingsonmacht

Eiser heeft beroep ingesteld tegen een besluit van de Minister van Justitie en Veiligheid, waarbij zijn bezwaar ongegrond werd verklaard. Bij het indienen van het beroepschrift vroeg eiser om vrijstelling van het griffierecht, maar heeft dit verzoek niet tijdig of voldoende onderbouwd.

De rechtbank heeft eiser meerdere malen verzocht om het verzoek tot vrijstelling te onderbouwen en het griffierecht te betalen. Ondanks aanmaningen heeft eiser het griffierecht niet voldaan binnen de gestelde termijnen.

Op grond van artikel 8:41, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verklaart de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk omdat redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak is gedaan door rechter C.E. Bos op 15 september 2022 en in het openbaar uitgesproken. Tegen deze uitspraak staat verzet open binnen zes weken na verzending.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht en onvoldoende onderbouwing van het verzoek tot vrijstelling.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 22/1580
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2022 als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen

[Naam], te [Plaats], eiser,

en

de Minister van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 22 maart 2022 waarbij zijn bezwaar tegen het besluit van 3 december 2021 ongegrond is verklaard.

Overwegingen

1. Op grond van artikel 8:41, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt door de griffier van de indiener van het beroepschrift een griffierecht geheven.
2. Eiser heeft bij het indienen van zijn beroepschrift verzocht om vrijstelling van het griffierecht. De rechtbank heeft eiser bij brief van 1 april 2022 verzocht dit verzoek te onderbouwen binnen twee weken na verzending van deze brief. Eiser heeft geen gegevens of bewijsstukken overlegd. De griffier heeft het verzoek tot vrijstelling bij brief van 1 juli 2022 daarom afgewezen en bij nota van 5 juli 2022 eiser verzocht het griffierecht van € 184,- binnen vier weken te voldoen. De rechtbank is van oordeel dat eisers verzoek terecht is afgewezen, omdat het verzoek niet is onderbouwd. Aan het herhaald verzoek om vrijstelling van het griffierecht, ingediend door eiser op 31 juli 2022, wordt daarom geen gevolg gegeven. Eiser is bij aangetekende brief van 3 augustus 2022 aangemaand het griffierecht alsnog binnen vier weken te voldoen. Het vermelde bedrag is niet binnen de gestelde termijn bijgeschreven of ter griffie gestort.
3. Artikel 8:41, zesde lid, van de Awb bepaalt dat indien het verschuldigde bedrag niet of niet tijdig is bijgeschreven of gestort, het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is geweest.
4. Naar het oordeel van de rechtbank kan redelijkerwijs worden geoordeeld dat eiser in verzuim is geweest. Het beroep is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Bos, rechter, in aanwezigheid van J.A. Bosman, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 15 september 2022.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.