Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..De procedure
- de dagvaarding van 4 mei 2022, met bijlagen;
- het antwoord;
- de brief van 13 juni 2022 waarin een mondelinge behandeling is bepaald.
2..De feiten
- dat de vergunning van B & W is verleend voor het tijdvak aangaande op 1 april 2015 en behoudens verlenging eindigende op 1 april 2018.
- dat op de te sluiten huurovereenkomst de artikelen 206 lid 3; 232; 242; 269 lid 1 en 2; 270; 271 lid 4 tot en met 8; 272 tot en met 277; 278 lid 1 en 2; 281 van Boek 7 BW niet van toepassing zijn;
- dat de woonruimte binnen 24 maanden (of: binnen afzienbare tijd) zal worden gesloopt (of: ingrijpend zal worden verbeterd)
- [oneven-adressen] (oneven)
- [even-adressen] (even) (…)”
3..Het geschil
- te verklaren voor recht dat de tijdelijke huurovereenkomst tussen partijen op 1 april 2022 is geëindigd;
- [gedaagde] te veroordelen om het gehuurde binnen twee dagen na betekening van het vonnis te ontruimen op straffe van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag of een gedeelte daarvan dat [gedaagde] dit gebod niet naleeft, met een maximum van € 15.000,00;
- [gedaagde] te veroordelen aan haar te betalen € 389,18 aan gebruiksvergoeding per maand vanaf 1 april 2022 tot aan de datum van ontruiming van het gehuurde;
- [gedaagde] te veroordelen in de proceskosten met rente;
- het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.