De rechtbank Rotterdam behandelde op 6 juli 2022 de vordering van het openbaar ministerie tot uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling van een veroordeelde die een gevangenisstraf van 42 maanden uitzit. De veroordeelde kwam op 14 juli 2022 in aanmerking voor voorwaardelijke invrijheidsstelling, maar het OM verzocht om uitstel van maximaal 90 dagen omdat er geen goedgekeurd verblijfsadres beschikbaar was.
Tijdens de zitting werden de veroordeelde, zijn raadsman, de officier van justitie, een reclasseringswerker en een door de veroordeelde meegebrachte getuige gehoord. De inrichting adviseerde positief over de invrijheidsstelling, mits met bijzondere voorwaarden, terwijl de reclassering uitstel adviseerde tot het beschikbaar is van een goedgekeurd adres of begeleid wonen. Het opgegeven adres van de ouders viel binnen een locatieverbodgebied, wat leidde tot een negatief politieadvies.
De rechtbank oordeelde dat de veroordeelde zich inspande om een verblijfsadres te verkrijgen en dat het belang van een passend adres na vrijlating zwaarwegend is. Gezien de tegenstrijdige adviezen en het negatieve politieadvies werd het uitstel van de voorwaardelijke invrijheidsstelling toegewezen voor maximaal 90 dagen, met de mogelijkheid tot eerdere vrijlating zodra een goedgekeurd adres beschikbaar is.