ECLI:NL:RBROT:2022:6412
Rechtbank Rotterdam
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde benedenwoning en afwijzing beroep tegen vaststelling
De zaak betreft een geschil over de WOZ-waarde van een benedenwoning in Rotterdam, vastgesteld op € 366.000,- en na bezwaar verlaagd naar € 285.000,-. Eiseres betwist de waarde en stelt dat deze € 200.000,- zou moeten bedragen.
De rechtbank beoordeelt of verweerder terecht van de hoorplicht heeft afgezien en of de vastgestelde waarde juist is. Verweerder legde een taxatierapport en vergelijkingsobjecten over ter onderbouwing. Eiseres voerde aan dat de oppervlakte onjuist is en de staat van onderhoud slecht, maar kon dit niet met stukken onderbouwen.
De rechtbank oordeelt dat verweerder voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de waarde niet te hoog is vastgesteld en dat het beroep ongegrond is. Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt afgewezen omdat nog geen twee jaar zijn verstreken sinds het bezwaar. Een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde wordt ongegrond verklaard en het verzoek om immateriële schadevergoeding afgewezen.