Uitspraak
Maatschap [naam maatschap](maatschap [naam maatschap] ), uit [plaats]
Procedurele beroepsgronden
.Dat tijdens het onderzoek een relatief groot aantal trillingen is gemeten dat waarschijnlijk door andere bronnen dan verkeer op de toegangsweg wordt veroorzaakt, maakt dat volgens verweerder niet anders. Verweerder stelt ook dat de SBR-B-richtlijn niet verplicht tot het meten of beperken van de snelheid van voertuigen. Wel moet aan trillingnormen uit het Activiteitenbesluit milieubeheer worden voldaan.
Overige milieuaspecten
De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat voor onaanvaardbare gezondheidseffecten moet worden gevreesd. Verweerder heeft er in redelijkheid van kunnen uitgaan dat de normen voor geluid- en trillinghinder uit het Activiteitenbesluit milieubeheer voldoende bescherming bieden. Voor zover eiser in dit verband heeft gewezen op cumulatie van geluidhinder, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat daarvan in dit geval sprake is.
Het aanschuiven van voer is een relatief kortdurende activiteit en de staldeuren aan de voorzijde mochten voor het overige al geopend zijn. Niet is gebleken dat in de bestaande situatie sprake was van ernstige vliegenoverlast. De rechtbank acht het dan ook niet aannemelijk dat onaanvaardbare vliegenoverlast zal ontstaan doordat de staldeuren aan de voorzijde voortaan ook tijdens het aanschuiven van voer geopend mogen zijn.
Volgens de notitie van [milieu adviesbedrijf] van 25 mei 2020 is de bijdrage van het aanschuiven van voer aan de geluidbelasting verwaarloosbaar. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen.
Volgens eiser is het vanwege geluid- en trillinghinder nog altijd nodig om de rijsnelheid te beperken en is bij de intrekking van het voorschrift geen rekening gehouden met de belangen van omwonenden.
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 17 november 2020;
- draagt verweerder op binnen zes maanden een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 178,- aan eiser moet vergoeden.
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
(…)
beste beschikbare technieken:voor het bereiken van een hoog niveau van bescherming van het milieu meest doeltreffende technieken om de emissies en andere nadelige gevolgen voor het milieu, die een inrichting kan veroorzaken, te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, zoveel mogelijk te beperken, die – kosten en baten in aanmerking genomen – economisch en technisch haalbaar in de bedrijfstak waartoe de inrichting behoort, kunnen worden toegepast, en die voor degene die de inrichting drijft, redelijkerwijs in Nederland of daarbuiten te verkrijgen zijn; daarbij wordt onder technieken mede begrepen het ontwerp van de inrichting, de wijze waarop zij wordt gebouwd en onderhouden, alsmede de wijze van bedrijfsvoering en de wijze waarop de inrichting buiten gebruik wordt gesteld;
(…)
Wet milieubeheer
2. Bij de beslissing tot het vaststellen van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid, worden in ieder geval betrokken:
(…)
Activiteitenbesluit milieubeheer
Artikel 2.11. Degene die een inrichting drijft en weet of redelijkerwijs had kunnen weten dat door het in werking zijn dan wel het al dan niet tijdelijk buiten werking stellen van de inrichting nadelige gevolgen voor het milieu ontstaan of kunnen ontstaan, die niet of onvoldoende worden voorkomen of beperkt door naleving van de bij of krachtens dit besluit gestelde regels, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dit redelijkerwijs van hem kan worden gevergd.
(…)
4. Het bevoegd gezag kan met betrekking tot de verplichting, bedoeld in het eerste en derde lid, maatwerkvoorschriften stellen voor zover het betreffende aspect bij of krachtens dit besluit niet uitputtend is geregeld. Deze maatwerkvoorschriften kunnen mede inhouden dat de door degene die de inrichting drijft dan wel degene die loost, te verrichten activiteiten worden beschreven alsmede dat metingen, berekeningen of tellingen moeten worden verricht ter bepaling van de mate waarin de inrichting dan wel het lozen, bedoeld in het derde lid, nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaakt.