Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
beschikking uithuisplaatsing
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
[naam kind 1] ,
[naam moeder] ,
Het procesverloop
De feiten
Het verzoek
De standpunten
De beoordeling
De beslissing
Den Haag.
Rechtbank Rotterdam
De gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West verzocht op 24 mei 2022 om uithuisplaatsing van het minderjarige kind [naam kind 1] in een pleegzorgvoorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling. De moeder verblijft met het kind sinds december 2021 in een babyhuis, maar dit verblijf wordt per direct beëindigd vanwege toenemende zorgen over de veiligheid en emotionele beschikbaarheid van de moeder.
De moeder voert verweer tegen het verzoek en stelt dat zij onvoldoende begeleiding kreeg bij de uitstroom uit het babyhuis en dat zij inmiddels een WMO-aanvraag heeft ingediend. De grootouders zijn bereid het kind op te vangen, maar kunnen de moeder niet huisvesten. De kinderrechter stelt vast dat de problematiek van de moeder al langer speelt en dat de zorgen zijn toegenomen. De moeder heeft onvoldoende stappen gezet om een vervolgplek te vinden en onderschat de situatie.
Gezien het ontbreken van een veilige woonplek en het feit dat het kind anders op straat zou komen te staan, acht de kinderrechter uithuisplaatsing noodzakelijk. Er wordt een machtiging verleend tot uithuisplaatsing in een pleegzorgvoorziening tot 22 augustus 2022, met de verplichting voor de GI om de moeder actief te begeleiden bij hulpverlening en het regelen van praktische zaken.
Uitkomst: Machtiging tot uithuisplaatsing van het kind in een pleegzorgvoorziening tot 22 augustus 2022 wordt verleend.