De Gemeente Rotterdam vordert betaling van een gebruiksvergoeding van €18.708,- voor het gebruik van een bedrijfsruimte door de gedaagde van mei tot en met december 2018, na beëindiging van de erfpacht. De gedaagde betwist de vordering en stelt dat de Gemeente misbruik van omstandigheden heeft gemaakt door hem onder druk een gebruiksovereenkomst te laten tekenen en dat hij pas wil betalen nadat gemaakte toezeggingen zijn nagekomen.
De kantonrechter oordeelt dat de overeenkomst rechtsgeldig is gesloten en dat de gedaagde niet heeft gevorderd tot vernietiging van de overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden. De Gemeente was bevoegd de erfpacht op te zeggen en heeft de gedaagde zelfs tegemoetgekomen door hem tijdelijk gebruik toe te staan tegen een gebruiksvergoeding. Er is geen bewijs dat de vergoeding onredelijk hoog is.
Het beroep op opschorting wordt verworpen omdat de gedaagde onvoldoende concreet heeft gesteld welke toezeggingen niet zijn nagekomen. De Gemeente heeft twee maanden gebruiksvergoeding gecrediteerd en daarmee haar verplichtingen nagekomen. De wettelijke rente wordt toegewezen vanaf 3 juni 2021, de datum van de creditering. De buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten worden eveneens toegewezen. Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.