Uitspraak
RECHTBANK ROTTERDAM
1..[gedaagde 1]
,
1..De procedure
- de dagvaarding van 9 juni 2022, met producties;
- de producties 14 t/m 20 van [eiser];
- het brief van gedaagden van 16 juni 2022, met producties;
- de spreekaantekeningen van gedaagden.
Rechtbank Rotterdam
Eiser trad op 9 november 2020 in dienst bij gedaagde 1 en raakte kort daarna betrokken bij een verkeersongeval. Na een tweede ongeval in januari 2021 verrichtte hij geen werkzaamheden meer en ontving sindsdien geen loon. Eiser vorderde in kort geding betaling van achterstallig loon tot de einddatum van de arbeidsovereenkomst op 9 november 2021.
De kantonrechter oordeelde dat eiser ruim 16 maanden had gewacht met het instellen van zijn loonvordering, waardoor het spoedeisend belang ontbrak. Eiser gaf onvoldoende inzicht in zijn financiële situatie en verbond ten onrechte zijn loonvordering aan een verzekeringskwestie. Daarnaast bleek dat de loonvordering afhankelijk is van nadere bewijslevering over de arbeidsomvang, wat niet in kort geding kan worden beoordeeld.
Daarom wees de kantonrechter de vordering af en veroordeelde eiser in de proceskosten. De arbeidsovereenkomst werd door gedaagden aan het einde van de zitting vernietigd, maar dit was te laat voor de procedure.
Uitkomst: De loonvordering van eiser wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en noodzaak van nadere bewijslevering.