Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:4411

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
30 mei 2022
Publicatiedatum
7 juni 2022
Zaaknummer
9670732 \ CV EXPL 22-3776
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Proces-verbaal
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:262 BWArt. 30p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wegens verkeerde partij in procedure over uitspraak Huurcommissie

In deze zaak vordert eiseres de vernietiging van een uitspraak van de Huurcommissie inzake de aanvangshuurprijs. De huurovereenkomst is gesloten tussen eiseres als verhuurder en een vereniging als huurder. De Huurcommissie heeft echter de vereniging als procespartij aangemerkt, terwijl eiseres in rechte niet de vereniging, maar een andere partij heeft gedagvaard.

De kantonrechter overweegt dat op grond van artikel 7:262 BW Pro de uitspraak van de Huurcommissie rechtskracht verliest zodra een partij binnen acht weken een rechterlijke beslissing vordert. Daarbij moet de juiste partij worden betrokken. Omdat eiseres de verkeerde partij heeft gedagvaard, wordt zij niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering en wordt niet inhoudelijk op de zaak ingegaan.

Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten, die aan de zijde van gedaagde worden vastgesteld op € 248,00 aan salaris gemachtigde en € 62,00 aan nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Hiermee is de procedure beëindigd zonder inhoudelijke beoordeling van de geschilpunten.

Uitkomst: Eiseres wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het betrekken van de verkeerde partij en veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Zaaknummer: 9670732 \ CV EXPL 22-3776
datum: 30 mei 2022
proces-verbaal van mondelinge uitspraak ex artikel 30p Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van de kantonrechter, zitting houdende te Rotterdam,
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats] ,
eiseres,
gemachtigde: mr. drs. T.S. Cnossen,
tegen
[gedaagde],
Woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
gemachtigde: mr. G. Gabrelian en mr. B.T. Stalpers.
Partijen worden hierna aangeduid als ‘ [eiseres] ’ en ‘ [gedaagde] ’.
Aanwezig is mr. A.J.L.M. van der Wildt, kantonrechter, bijgestaan door mr. A. Viergever, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnen:
  • De heer [persoon A] namens [eiseres] , bijgestaan door mr. drs. T.S. Cnossen;
  • [gedaagde] in persoon, bijgestaan door mr. G. Gabrelian en mr. B.T. Stalpers.
De kantonrechter gaat over tot de mondelinge behandeling.
De zaak is met partijen besproken. Daarbij hebben partijen hun standpunten nader toegelicht en de vragen van de kantonrechter beantwoord. De kantonrechter heeft daarna, op de voet van artikel 30p van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, in aanwezigheid van beide partijen mondeling uitspraak gedaan. Deze uitspraak is opgenomen in dit proces-verbaal.

1..De gronden van de beslissing

1.1.
Op grond van artikel 7:262 BW Pro worden de verhuurder en de huurder geacht te zijn overeengekomen wat in de uitspraak van de Huurcommissie is vastgesteld, tenzij één van hen binnen acht weken nadat aan hen afschrift van die uitspraak is verzonden, een beslissing van de rechter heeft gevorderd. Dat brengt met zich dat, wanneer partijen zich binnen de hiervoor genoemde termijn van acht weken tot de kantonrechter wenden, de uitspraak van de Huurcommissie iedere rechtskracht verliest en het vervolgens aan de kantonrechter is om te beslissen over de punten waarover de huurcommissie om een uitspraak was verzocht.
1.2.
De huurovereenkomst is gesloten door [eiseres] als verhuurder en de [naam vereniging] (hierna: ‘de vereniging’) als huurder. Uit het verzoekschrift van 9 januari 2019 volgt dat [gedaagde] zich als verzoekende partij heeft gemeld bij de Huurcommissie en heeft verzocht om toetsing van de aanvangshuurprijs. Hoewel het verzoekschrift niet door de vereniging is ingediend, heeft de Huurcommissie haar wel - naar het oordeel van de kantonrechter ten onrechte - als procespartij aangemerkt in de uitspraak van 4 november 2021. Dat neemt niet weg dat de kantonrechter bij de beoordeling van onderhavige vordering wel gebonden is aan het feit dat de vereniging als procespartij heeft te gelden in de procedure bij de Huurcommissie.
1.3.
Het voorgaande betekent dan ook dat [eiseres] de vereniging in rechte had dienen te betrekken om, op de voet van artikel 7:262 BW Pro, de uitspraak van de Huurcommissie te doen laten vervallen. [eiseres] heeft echter niet de vereniging gedagvaard, maar [gedaagde] . Dit leidt tot het oordeel dat [eiseres] de verkeerde partij in rechte heeft betrokken, zodat zij niet ontvankelijk zal worden verklaard in haar vordering. Aan een inhoudelijke beoordeling van de het gevorderde wordt derhalve niet toegekomen.
1.4.
[eiseres] wordt in het ongelijk gesteld en zal in de proceskosten worden veroordeeld. Die kosten worden aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 248,00
(2 punten à € 124,00) aan salaris voor de gemachtigde. De gevorderde nakosten worden toegewezen tot een bedrag van € 62,00.

2..De beslissing

De kantonrechter:
2.1.
verklaart [eiseres] niet-ontvankelijk in haar vorderingen;
2.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten, tot vandaag aan de zijde van [gedaagde] vastgesteld op € 248,00 aan salaris voor de gemachtigde;
2.3.
veroordeelt [eiseres] in de na vandaag te maken proceskosten, begroot op € 62,00 aan salaris voor de gemachtigde en als niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis is voldaan en het vonnis is betekend, de explootkosten van deze betekening;
2.4.
verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Waarvan is opgemaakt dit proces-verbaal dat door de kantonrechter en de griffier is ondertekend.
44487