Verzoeker diende een verzoek in op grond van artikel 287a Faillissementswet om een dwangakkoord af te dwingen tegen een schuldeiser die niet instemde met een door verzoeker aangeboden schuldregeling. De schuldregeling betrof een eenmalige betaling van een klein percentage van de totale schuldenlast, gefinancierd met een saneringskrediet, en was gebaseerd op de NVVK-norm.
De rechtbank stelde vast dat de schuldeiser een klein aandeel had in de totale schuld en dat de overige schuldeisers instemden met het akkoord. Verzoeker heeft sinds 2018 een Participatiewet-uitkering en is vrijgesteld van arbeidsverplichting tot 2023 vanwege psychische en lichamelijke klachten. De rechtbank achtte aannemelijk dat de afloscapaciteit niet zal toenemen en dat het akkoord gunstiger is dan een wettelijke schuldsaneringsregeling.
De rechtbank concludeerde dat de belangen van verzoeker en de instemmende schuldeisers zwaarder wegen dan het belang van de weigeraar. Het verzoek tot dwangakkoord werd toegewezen, de schuldeiser werd veroordeeld in de proceskosten en het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen.