Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBROT:2022:393

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
14 januari 2022
Publicatiedatum
24 januari 2022
Zaaknummer
FT EA 21-413, FT EA 21- 414, FT EA 21- 415 en FT EA 21- 416
Instantie
Rechtbank Rotterdam
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287a FaillissementswetFaillissementswet 284
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot dwangakkoord bij weigering schuldeiser in schuldregeling

Verzoekers hebben een verzoek ingediend op grond van artikel 287a Faillissementswet om een schuldeiser te dwingen in te stemmen met een aangeboden schuldregeling. Deze regeling voorziet in een eenmalige betaling van een percentage van de vorderingen, gefinancierd door een saneringskrediet van de werkgever van verzoeker.

Zestien van de zeventien schuldeisers stemden in met het akkoord, maar één schuldeiser, met een vordering van 1,77% van de totale schuld, weigerde. De rechtbank heeft de belangen van alle partijen afgewogen en vastgesteld dat het aanbod het uiterste is wat verzoekers kunnen bieden, mede door het saneringskrediet en de hoge kosten van een wettelijke schuldsanering.

De rechtbank concludeert dat het belang van verzoekers en de overige schuldeisers zwaarder weegt dan dat van de weigeraar en beveelt deze schuldeiser om in te stemmen met de regeling. Tevens wordt het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling afgewezen en wordt het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De rechtbank beveelt de schuldeiser om in te stemmen met de aangeboden schuldregeling en wijst het verzoek tot wettelijke schuldsanering af.

Uitspraak

Rechtbank Rotterdam

Team insolventie
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 14 januari 2022 (vervroegde uitspraak)
in de zaak van:
[naam verzoeker 1] en [naam verzoeker 2],
wonende te [adres]
[woonplaats],
verzoekers.

1..De procedure

Verzoekers hebben op 11 november 2021, tezamen met een verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling, een verzoek ingevolge artikel 287a, eerste lid, Faillissementswet ingediend om [schuldeiser], vertegenwoordigd door LAVG Gerechtsdeurwaarders, (hierna: [schuldeiser]) die weigert mee te werken aan een door verzoekers aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.
[schuldeiser] heeft voorafgaand aan de zitting een verweerschrift toegezonden.
Ter zitting van 12 januari 2022 zijn verschenen en gehoord:
  • verzoekers;
  • mr. I.P. van Rossen, advocaat van verzoekers.
De beschermingsbewindvoerder (Modus Vivendi) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen.
[schuldeiser] heeft schriftelijk verweer gevoerd en is niet ter zitting verschenen.
De uitspraak is bepaald op heden.

2..Het verzoek

Verzoekers hebben volgens het ingediende verzoekschrift zeventien schuldeisers, waarvan één preferente schuldeiser en zestien concurrente schuldeisers (met zeventien vorderingen). Deze schuldeisers hebben in totaal een bedrag van € 39.791,08 van verzoekers te vorderen.
Verzoekers hebben bij brief van 20 juli 2021 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers, inhoudende een betaling van 27,68% aan de preferente schuldeisers en 13,84% aan de concurrente schuldeisers tegen finale kwijting.
Het aangeboden akkoord heeft de volgende inhoud en achtergrond.
De aangeboden regeling is gebaseerd op de NVVK-norm.
De aangeboden regeling is gebaseerd op een aanbod van de werkgever van verzoeker die drie maal de afloscapaciteit van € 36,46 per maand, die verzoekers thans dienen te hebben conform de richtlijnen van de NVVK, heeft aangeboden. Verzoeker werkt parttime en verzoekster werkt niet.
Volgens de aangeboden schuldregeling wordt het aangeboden percentage – door middel van het door de werkgever van verzoeker ter beschikking gesteld saneringskrediet – in één keer aan de schuldeisers uitgekeerd. Op grond van het vrij te laten bedrag is er thans geen sprake van enige afloscapaciteit wanneer verzoekers zouden worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling.
Verzoekers hebben zich op het standpunt gesteld dat zij al het mogelijke hebben gedaan om het aangeboden percentage aan hun schuldeisers aan te bieden. Verzoekers staan onder beschermingsbewind en hun vaste lasten worden door een beschermingsbewindvoerder voldaan.
Zestien schuldeisers stemmen met de aangeboden schuldregeling in. [schuldeiser] stemt hier niet mee in. Zij heeft een vordering van € 704,58 op verzoeker, welke 1,77% van de totale schuldenlast beloopt.
Verzoeker heeft ter zitting aangegeven dat het saneringskrediet beschikbaar wordt gesteld door zijn werkgever.
Voorts heeft verzoeker aangegeven dat hij op dit moment vijf uur per dag werkt en dat hij vanaf maart 2022 waarschijnlijk acht uur per dag kan gaan werken bij zijn huidige werkgever.
De advocaat heeft ter zitting stukken overlegd, waaronder sollicitaties van verzoekster die zien op de periode van september tot en met november 2021. Uit deze stukken blijkt voorts dat verzoekster deel heeft genomen aan een arbeidsintegratie-traject van de gemeente Drechtsteden.
De advocaat heeft ter zitting gesteld dat het aanbod van verzoekers de schuldeisers meer zal opleveren dan een wettelijk schuldsaneringstraject. Ten eerste vanwege de (hoge) kosten die de wettelijke schuldsaneringsregeling met zich meebrengt en ten tweede door de hoogte van het krediet dat de werkgever van verzoeker ter beschikking stelt. Deze omstandigheden hebben tot gevolg dat, zelfs al zouden beide verzoekers fulltime arbeid verrichten, de schuldeisers bij het onderhavige aanbod naar alle waarschijnlijkheid een hoger percentage op hun vordering zouden ontvangen dan in een schuldsaneringsregeling. Bovendien keert het aangeboden saneringskrediet het bedrag in één keer uit en hoeven de schuldeisers niet drie jaar op betaling te wachten, aldus de advocaat.

3..Het verweer

In haar verweerschrift heeft [schuldeiser] -kort samengevat- aangegeven dat onvoldoende is onderbouwd dat het aanbod van verzoekers het maximaal haalbare is. [schuldeiser] heeft hierbij gewezen op de omstandigheid dat alleen verzoeker werkt (en verzoekster niet) en dat het mogelijk moet zijn voor verzoekers om meer te verdienen dan dat zij thans doen.
Voorts heeft [schuldeiser] aangedragen dat de wettelijke schuldsaneringsregeling betere waarborgen kent waardoor er uiteindelijk meer aan de schuldeisers aangeboden kan worden.

4..De beoordeling

Uitgangspunt is dat het iedere schuldeiser in beginsel vrij staat om te verlangen dat 100% van zijn vordering, vermeerderd met rente, wordt voldaan. Nu de aangeboden regeling voorziet in een lagere uitkering dan de volledige vordering, staat het belang van [schuldeiser] bij haar weigering vast.
De rechtbank ziet zich gesteld voor het beantwoorden van de vraag of [schuldeiser] in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat zij heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van verzoekers of de overige schuldeisers die door de weigering worden geschaad.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de vordering van [schuldeiser] een zeer gering aandeel vormt in de totale schuldenlast van 1,77%. Daarbij komt dat alle overige schuldeisers met de aangeboden regeling akkoord gaan.
De rechtbank stelt ook vast dat het voorstel is getoetst door een deskundige en onafhankelijke partij, te weten Modus Vivendi. Voorts is het voorstel naar het oordeel van de rechtbank goed en controleerbaar gedocumenteerd.
De rechtbank is van oordeel dat het voorstel, ondanks dat verzoeker parttime werkt en verzoekster niet werkt, het uiterste is waartoe verzoekers in staat moeten worden geacht. Ook wanneer de (werk)omstandigheden van verzoekers wijzigen. Het door de werkgever van verzoeker ter beschikking gestelde krediet van € 3.937,68 is hierbij van doorslaggevend belang. Toepassing van de schuldsaneringsregeling levert de schuldeisers minder op dan bij het akkoord wordt aangeboden, zelfs als verzoekers binnen de schuldsanering meer zouden gaan werken en meer inkomsten zouden gaan genereren. Toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling brengt immers aanzienlijke kosten met zich mee, bestaande uit salaris voor de bewindvoerder en griffierecht, die in mindering komen op hetgeen verzoekers zouden kunnen afdragen aan schuldeisers in de schuldsaneringsregeling.
Daar komt nog bij dat een eventuele bate voor de schuldeisers pas aan het einde van de schuldsaneringsregeling wordt uitgekeerd, terwijl de aangeboden regeling erin voorziet dat het aangeboden bedrag ineens en op korte termijn betaalbaar wordt gesteld.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank dan ook tot het oordeel dat de belangen van verzoekers die vanuit een stabiele situatie hun schuldenproblematiek willen oplossen en van de overige schuldeisers die hebben ingestemd met het aanbod, zwaarder wegen dan die van [schuldeiser], die geweigerd heeft in te stemmen.
Het verzoek om [schuldeiser] te bevelen in te stemmen met de schuldregeling wordt daarom toegewezen.
[schuldeiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Nu voor het onderhavige verzoekschrift geen griffierecht verschuldigd is, worden de kosten begroot op nihil.
De rechtbank stelt vast dat er thans een gedwongen schuldregeling is afgekondigd, die in de plaats komt van de vrijwillige instemming van de schuldeisers. Hieruit volgt dat verzoekers zullen kunnen voortgaan met het betalen van hun schulden en dat zij niet verkeren in de toestand dat zij hebben opgehouden te betalen zodat het subsidiaire verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal worden afgewezen.

5..De beslissing

De rechtbank:
- beveelt [schuldeiser] om in te stemmen met de door verzoeker aangeboden schuldregeling;
- veroordeelt [schuldeiser] in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoekers begroot op nihil;
- bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de vrijwillige instemming;
- wijst het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling af;
- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.C.A.T. Frima, rechter, en in aanwezigheid van mr. K. de Ridder, griffier, in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2022. [1]

Voetnoten

1.Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.