ECLI:NL:RBROT:2022:2306

Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak
23 maart 2022
Publicatiedatum
29 maart 2022
Zaaknummer
ROT 21/123
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Verordening bedrijfsreinigingsrecht 2020
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling bedrijfsreinigingsrecht niet afhankelijk van wijze van afvalinzameling

Eiser exploiteert een danswinkel en kreeg van de gemeente Rotterdam een aanslag bedrijfsreinigingsrecht opgelegd voor het jaar 2020. Eiser betwistte deze aanslag omdat het afval niet meer door de gemeente wordt opgehaald, maar in containers voor bewoners wordt gedeponeerd. De rechtbank stelt vast dat volgens de Verordening bedrijfsreinigingsrecht 2020 het bedrijfsreinigingsrecht wordt geheven van ieder bedrijf dat afvalstoffen produceert die via de gemeente worden afgevoerd, ongeacht de wijze van inzameling.

De rechtbank overweegt dat het feit dat het afval niet meer aan de straat wordt opgehaald, maar in containers wordt gedeponeerd, geen invloed heeft op de heffingsplicht. De aanslag is gebaseerd op het feit dat de winkel afval produceert dat via de gemeente wordt verwerkt. De stellingen van eiser over de hoeveelheid afval, de verschillen in inzameling binnen Rotterdam en de communicatie hierover, leiden niet tot een andere uitkomst.

De rechtbank concludeert dat de gemeente zich aan de Verordening heeft gehouden en verklaart het beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de aanslag bedrijfsreinigingsrecht wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 21/123

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 23 maart 2022 in de zaak tussen

[naam eiser], eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. S. van der Vlegel.

Procesverloop

Bij aanslagbiljet van 15 september 2020 heeft verweerder voor het object [adres] aan eiser voor 2020 een aanslag bedrijfsreinigingsrecht opgelegd van € 801,75 (inclusief omzetbelasting).
Bij uitspraak op bezwaar, gedagtekend 1 januari 2021 (het bestreden besluit), heeft verweerder het bezwaar hiertegen ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 december 2021.
Eiser is verschenen, verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser exploiteert een winkel voor danskleding, [naam winkel].
De aanslag is opgelegd voor het inzamelen en verwerken van bedrijfsafvalstoffen afkomstig uit de winkel. Eiser is het er niet mee eens dat hij bedrijfsreinigingsrecht moet betalen. Anders dan in het verleden wordt het afval bij hem niet meer door de Roteb opgehaald. Eiser moet de vuilniszakken nu in containers gooien die voor bewoners bestemd zijn. Gelet op het voorgaande valt hij niet meer onder de Verordening bedrijfsreinigingsrecht en hoeft hij dit niet meer te betalen, aldus eiser.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser wel bedrijfsreinigingsrecht verschuldigd is.
2. Voor de beoordeling van dit geschil is het volgende wettelijk kader van belang.
De Verordening bedrijfsreinigingsrecht 2020 (de Verordening), zoals door de gemeenteraad van Rotterdam vastgesteld, is hier van toepassing.
Op grond van artikel 1, van de Verordening wordt onder afvalstoffen verstaan: alle stoffen, preparaten of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
Op grond van artikel 1 van Pro de Verordening wordt onder inzamelen verstaan: activiteiten gericht op het ophalen of in ontvangst nemen van afvalstoffen die binnen de gemeente daartoe worden aangeboden.
Artikel 2 van Pro de Verordening luidt als volgt:
1. Onder de naam ‘bedrijfsreinigingsrechten’ worden rechten geheven met betrekking tot het inzamelen en verwerken van bedrijfsafvalstoffen en voor het genot van door het gemeentebestuur verstrekte diensten en het gebruik van voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen, werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of onderhoud zijn.
2. Ieder bedrijf wordt vermoed zich van bedrijfsafvalstoffen te ontdoen, voornemens te zijn zich daarvan te ontdoen of zich daarvan te moeten ontdoen, tenzij het tegendeel wordt aangetoond.
Artikel 3 van Pro de Verordening luidt als volgt:
De bedrijfsreinigingsrechten worden geheven van ieder bedrijf op wiens aanvraag dan wel ten behoeve van wie de dienst wordt verricht of van degene die gebruik maakt van de voor de openbare dienst bestemde gemeentebezittingen of van voor de openbare dienst bestemde werken of inrichtingen die bij de gemeente in beheer of in onderhoud zijn.
Artikel 1 en Pro onder b van de Tarieventabel bij de Verordening luidt als volgt:
De tarieven zijn gebaseerd op de normale standaard dienstverlening: het aanbieden van rolcontainers één maal in de week op de standaard ophaaldag of voor het gebruik van de onderlossende restafvalcontainers.
3. Uit het wettelijk kader volgt dat de manier van inzamelen van het bedrijfsafval van eiser geen invloed heeft op het al dan niet moeten betalen van bedrijfsreinigingsrecht. Het kan zowel gaan om het ophalen van vuilniszakken die aan de straat zijn gezet als het deponeren van zakken restafval in een container.
Wat eiser aanvoert over de manier van handelen van de gemeente over het ophalen van het afval heeft daarom geen invloed op de vraag of eiser bedrijfsreinigingsrecht moet betalen of niet. Voldoende daarvoor is dat de winkel van eiser afvalstoffen produceert en dat deze via de gemeente worden afgevoerd. Dat is hier het geval, namelijk door het deponeren van de afvalzakken in de vuilcontainer.
Dit neemt niet weg dat de rechtbank zich kan voorstellen dat het handelen van de gemeente, door na twintig jaar abrupt met het ophalen van vuilniszaken aan de straat te stoppen en vervolgens vanwege het onrechtmatig aanbieden van deze vuilniszakken handhavend op te treden, ergernis bij eiser oproept. Dit staat echter los van de vraag of eiser bedrijfsreinigingsrecht moet betalen. De stelling van eiser dat hij niet veel afval produceert, dat er in andere delen van Rotterdam wel vuilniszakken worden opgehaald en dat de communicatie over dit onderwerp te wensen heeft overgelaten, maakt dat ook niet anders. De rechtbank moet beoordelen of verweerder zich aan de regels in de Verordening heeft gehouden en dat is het geval, zodat de aanslag kon worden opgelegd.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Noordegraaf, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 23 maart 2022.
De rechter is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag (belastingkamer).