Verzoekster, een Wajong-uitkeringsgerechtigde die 100% arbeidsongeschikt is verklaard, heeft een schuldregeling aangeboden aan haar schuldeisers waarbij zij 12,6% aan preferente en 6,3% aan concurrente schuldeisers betaalt. Vijftien schuldeisers stemden in met deze regeling, maar RVM-Bewindvoering, een schuldeiser met een vordering van €671,45 (2,45% van de totale schuld), weigerde in te stemmen.
RVM-Bewindvoering stelde dat zij niet akkoord ging vanwege onbetaalde kosten voor bewindvoering die via bijzondere bijstand waren vergoed maar niet aan haar waren doorbetaald. Ondanks oproep verscheen zij niet ter zitting om haar standpunten toe te lichten. De rechtbank beoordeelde dat het belang van RVM-Bewindvoering bij weigering niet opwoog tegen de belangen van verzoekster en de overige schuldeisers die instemden.
De regeling is gebaseerd op de NVVK-norm en de afloscapaciteit van verzoekster, die onder beschermingsbewind staat en geen nieuwe schulden maakt. De rechtbank stelde vast dat het voorstel goed gedocumenteerd en getoetst was door een onafhankelijke partij, en dat het voorstel het uiterste is wat verzoekster kan bieden.
De rechtbank concludeerde dat het dwangakkoord in het belang is van verzoekster en de schuldeisers en wees het verzoek toe om RVM-Bewindvoering te bevelen in te stemmen met de schuldregeling. Het subsidiaire verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling werd afgewezen. RVM-Bewindvoering werd veroordeeld in de proceskosten, die nihil werden begroot.